Niet van dat benauwde II!

Niettegenstaande dat het absoluut geen tegenwicht geeft tegen het ander. Anders gesteld: je zult er maar mee te maken krijgen. Het kan haast niet anders dan dat een derde ermee vandoor gaat, terwijl de vierde beteuterd op zijn neus kijkt. En de vijfde in deze een afwachtende houding aanneemt. Met andere woorden: het slaat weer eens nergens op. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, de zaken zoals ze zijn gaan simpelweg door. Niet direct iets om je druk over te maken, ware het niet dat ik het eerste deel van het geheel mogelijk achter de rug heb. Geen operatie petticoat waar ik me op had kunnen verheugen maar meer een specialistisch gebeuren. Een nachtje in het ziekenhuis doorbrengen blijkt zowaar (g)een genoegen. Wat valt daar tegenin te brengen? Simpelweg een kwestie van toestaan en overgeven. Niet letterlijk natuurlijk, maar in figuurlijke zin wel duidelijk. Wie zit er op braaksel te wachten? Niemand toch! En dan de vraag: hoe valt straks het een aan het ander te rijmen. Nu zijn dichters vaak in staat om hun gedicht in rijmvorm naar voren te brengen en ook ik maak me daar geregeld schuldig aan. Een rijmelarij op zijn tijd bevrijd. Je kunt kinnesinne van je afschrijven, je kunt gaan hekelen tot je een ons weegt, je kunt je bij nader inzien af gaan sluiten en bij naderend ongemak alsnog je biezen gaan pakken. Om maar wat dwarsstraten naar voren te brengen. Ook daar zit niemand op te wachten, laat staan dat wachten eeuwenlang duurt. Alsof we de tijd hebben aan onszelf, de reikwijdte niet langer kunnen overzien en in staat zijn om te bedanken voor de eer welke ons toekomt. Geenszins sprake is van helden, en wanneer er over helden vanuit het verleden gesproken wordt, blijkt dat het bepaald geen helden waren. Eerder bloeddorstige wezens. Gelijk ook in deze tijd nog steeds bloeddorstige wezens te vinden zijn.

Sla de krant maar open en zorg ervoor dat je die zo snel weer dichtvouwt!