De zin(nen).

VOORBIJ DE TIJD.

Het water staat tot aan mijn mond

wanneer ik kond

doe van de tijd

welke doorgaans verder glijdt

op zoek naar iets dat ik niet kan zien

en tellen helpt niet van een tot tien

bij negen sla ik af

en hol dan in een draf

weer terug naar acht en zeven

ga verder in de regen

die klettert tegen het glas

laat een wind en plas

in een urinaal dat hangt aan mijn bed

laat nog een wind van retteketet

laat alle tijd aan mij passeren

hul me in mijn ochtendkleren

zoek vergeefs naar een verhaal

wat klinkt dat opeens banaal

omdat ik niet weet waar te beginnen

ergens in mijn lijf, mijn geest van binnen

sla geregeld op een trom

die weinig meer doet dan bom, bom, bom

zijn het bommen, dan wel granaten

met wie kan ik daarover praten

zoek ik verder weg

krijg ik stomweg pech

klapt mijn band en raak ik leeg

loop dan langzaam door een steeg

voorbij het licht en in het duister

hoor ik opeens achter mij gefluister

zijn het demonen die mijn weg blokkeren

wie kan mij hierover wat leren

zoek vergeefs naar een lijn

gebroken weliswaar in zijn

dan schiet die zin mij weer te binnen

‘wat is de zin van zijn?’

1205-ikWik-2026