toen

Ik stam nog uit de tijd dat je at wat de pot schaftte. Dat een pot pindakaas gemiddeld een maand meeging. Dat de uitgebakken kaantjes in een discutabel aluminium pannetje stonden te wachten tot het moment waarop mijn vader stevige likken op zijn boterham smeerde. Dat de gedroogde schar in de schuur wachtte tot het moment waarop pa de afgeschreven, roestige schaar hanteerde. Overlangs de schar in stukken knipte en langdurig het gedroogde lijk in zijn mond hield. Wat kauwde als ware het kauwgom om op een ander moment slikvingerend zijn keelgat te passeren. Een andere tijd, waarin macaroni werd gelardeerd met afsnijdsel bij de slager vandaan. Stukken cornedbeef, een deel van de ham dan wel boterhamworst, een partje fricandeau gelardeerd met rookvlees dan wel roastbief, voor de smakelijke ‘touch’ garant stonden. Een enkel gesnipperd uitje de smaak ietwat verstevigde en waar verder geen tomaat aan te pas kwam. Bij gebrek aan afsnijdsel werd volstaan met boterhamworst dan wel ham in de aanbieding. Geen gemekker over het aantal calorieen welke met deze maaltijd gepaard gingen, laat staan de hoeveelheid zout die aan het geheel werd toegevoegd. En mensen gingen op tijd dood. Mensen werkten zich, in het zweet des aanschijns, een slag in de rondte, dronken een enkel biertje en stonden absoluut niet stil bij het dodelijke gevaar verbonden aan de sigaretten dan wel shag, waar de overheid ook toen al, een slaatje uit sloeg. Toen.
Nu. De toegevoegde ingredienten staan garant voor een doorsnee smaak. De houdbaarheidsdatum overschrijdt mogelijk op een niet gedachte manier de mijne. Mijn houdbaarheidsdatum is sinds een aantal jaren wat dubieuzer geworden. De toegevoegde, ongekende e-nummers doen denken aan een laboratorium waar terdege onderzoek heeft plaatsgevonden. Aan de vooronderstelde tarwekoek is geen graankorrel te pas gekomen; het biologisch-dynamische van de winkel alwaar dit artikel gekocht, laat zich raden. Een afbeelding op de cellofaan verpakking laat veelte raden over. En toch gaan we door op de weg die voor ons ligt. Ga ik door op het pad dat mij geboden wordt. Daarnaast wordt de krant gevuld met meldingen van wetenschappers. Omtrent ons huidig zoutgebruik. Wordt de evolutie tegen het licht gehouden en houdt een 87-jarige oud professor een pleidooi omtrent het ingenieuze systeem wat ervoor zorgt, dat het evenwicht, fysiologisch gezien, door de nieren on stand wordt gehouden. Sta ik in dubio of ik nog een ‘cup’ van Unox zal gaan nemen. Beter van niet. Misschien nog beter om dit wel te doen. Was het alleen maar om mijn behoefte, die zich terzelfder tijd voordoet, te bevredigen. Doe het, uiteindelijk, toch maar niet. Probeer afleiding te vinden.
Voorwaar, dit lukt. De verjaardag van mijn neef. De koffie met het appelgebak. Het borrelen en de onvermijdelijke zoutjes. Waar ook ik me aan waag. De milligrammen die mogelijk grammen gaan worden. De maaltijd, gisteren, door mijn zus bereidt. Goulash. Sate. Champignonsoep. Rijst erbij. Of wat stukken stokbrood. Keuzes maken. De lekkere trek die zich voordoet. Of van alles een beetje. Het smaakt. Ook dit keer vindt het slikvingerend een weg. En mag mijn lichaam aan het werk. Met het voedsel. De versnaperingen. De omzetting. Richt mijn bloedbaan op een eerlijke verdeling van dit geheel. Worden mijn nieren aangezet om de afvalproducten te verzamelen. Van nierbekken, via uretheren naar de blaas. Het verzamelvat. Een signaal naar de gladde kringspier waarschuwt mij omtrent het gestegen pijl. En het pijl stijgt langzaam wat verder. We gaan op huis aan. Niets is prettiger dan met een lege blaas de auto in te stappen.
Wat eten, wat drinken in een aangenaam gezelschap en de tijd stomweg laten verstrijken. Bewust zijn dat je leeft; onbewust van de processen die constant in mijn lijf plaatsvinden. Toch weer aan die woorden van Brederode denken: glas, plas en was…