TER OVERdenkING II
Nog wat gedachten:
Ik doe goed en slecht: het een gaat mij soms beter af dan het ander. Zo zwart wit als ik dit nu stel is het echter veelal niet. Ik bevind me regelmatig in alle varianten van de grijstinten die zich kunnen voordoen in die ontmoeting. Ik leer en probeer iets van de ander te begrijpen maar weet gelijktijdig dat ik daar mijn eigen kleur aan hecht. Natuurlijk ben ik net zo volmaakt als dat de ander in zijn volmaaktheid zich aan mij manifesteert. Natuurlijk ben ik net zo onvolmaakt als dat de ander in zijn onvolmaaktheid zich aan mij openbaart. Daarmee wordt het veld bepaald, het kader als het ware aangegeven. En in dit veld wordt het spel gespeeld, gezocht naar openingen, getracht het verleden een plaats te geven. Het spel groeit als een proces dat zich met een ander leven laat vergelijken. Het kent vooruitblikken en achteraf kijken. Het dwingt ook naar het nu, het heden dat zich voordoet en de schijn van goed. Maar wat is goed en wat is slecht? Waar liggen de verwachtingen, de kansen, waar de mogelijkheden maar ook waar zijn de beperkingen? Waar ben ik in dit verhaal en gelijktijdig de vraag naar wie ik ben? Ben ik? En zo ik ben wie is dan de ander? Waar ligt de overeenkomst?
Wie kent het verschil?
De herfst staat bekend om de vallende bladeren, maar wordt door veel oude culturen ook gezien als een tijd van belang en reflectie.
Begrijpelijk dat je je in deze periode je afvraagt: ‘wie ben ik’.
Het boeddhisme zegt daarover: ‘het zelf is een illusie, loslaten leidt tot inzicht.’
Dat is nou net het verschil tussen broen en gruin.