TER OVERdenkING I
Zomaar wat gedachten…
Is het in essentie de ontmoeting welke zo’n belangrijke rol speelt in het omgaan met een mens die lijdt aan de een of andere vorm van geestesziekte? Is het juist die ontmoeting welke zich voordoet op het menselijk vlak, wat de moeilijkheid van het ’toevallig tegenkomen’ de lading meegeeft die wij hieraan ontlenen? En wat is dat dan wel, een geestesziekte? Krankzinnigheid? Ziekte van de geest? Hoe omschrijf je dan de geest wel niet? Als ‘datgene wat de mens denkt, voelt en wil’, als een onstoffelijke zelfstandigheid wordt beschouwd? De ziel wellicht? Het geheel van meningen, denkwijzen, beginselen, gezindheden waardoor personen en tijden zich kenmerken? Is mijn geestvervoering die buitengewone gevoelsverheffing of gemoedstoestand van voorbijgaande aard, die iemand buiten zichzelf brengt, vergelijkbaar met het begrip extase?
Ik weet het niet maar weet wel dat er momenten in mijn leven zijn geweest waar ik juist door die ontmoeting in de hiervoor omschreven bewoordingen terecht ben gekomen. Ik nam mezelf mee op die zoektocht naar die ander, liet soms de ontmoeting voor wat deze was maar stond ook geregeld stil bij het moment waarop de toevalligheid meer dan dit woord inhield. Ik kwam de ander tegen in zijn pure naaktheid, zijn ziel ontbloot van alle bescherming die woorden kunnen inhouden. Ik was verbijsterd en verwonderd door de oprechtheid van dat moment. En ik was doordrongen van de eenvoud van de mens in al zijn majesteit. Natuurlijk had ik te maken met de mens in zijn of haar verwarrende gedachten, de zingeving van zijn, in mijn ogen onzinnige zijn, de achterdocht die daar een belangrijke rol in kon spelen. en veelal kon ik niet veel meer doen dan luisteren, mijn zijn de ander aanbieden en proberen tot die ander te komen.
Trachten de ontmoeting inhoud te geven.