Nu seit…

Dat alles een keerzijde kent, behoeft verder geen betoog. Dat het soms teksten zijn die ik onder ogen krijg, vaak geen andere bedoeling dan dat deze mij raken. En over raken gesproken, ik mis weleens een pijl. Niet dat ik me vergelijk met Wilhelm Tell, dat een appeltje op mijn tijd wel lekker is maar dat ik de laatste veelvuldig met bananen in de weer ben heeft hooguit te maken met het feit dat de pitloze witte druiven niet altijd even smaakvol zijn. De idee dat deze elders worden gekweekt, dat ladingen vol over de wereld heen worden gevlogen zorgt ervoor dat mijn behoefte aan dit ooft wat aan het verschralen is. Dat neemt niet weg dat ook bananen uit verre landen hier terecht gaan komen. Hetgeen dan weer haaks op elkaar komt te staan. Schijnt goed te zijn voor de gezondheid en hoewel ik daar weinig over te klagen heb, is mijn behoefte over het algemeen toch aan het afnemen. Mijn oog is geregeld groter dan mijn maag en daar eten een primaire behoefte schijnt te zijn, buig ik mij geregeld over mijn bord. Je moet toch wat, ook in deze tijd. Of misschien juist in deze tijd, waarbij hagel en sneeuw, de wind aan flarden en Nederland plat op weg naar mogelijk het voorjaar waar de knoppen op bersten staan en je de vogels weer vrolijk hoort fluiten. En wanneer de sneeuwpoppen zijn verdwenen en hooguit een enkele iglo de winter heeft doorstaan. Met andere woorden: we graven ons in om de voorspelde kou te doorstaan, de nachten die mogelijk voor ijs gaan zorgen en de ijzers die wederom tevoorschijn worden getoverd om rondjes te gaan rijden op een van water voorzien weiland, de koek en zopie met warme dranken om te zetten om de kou te verjagen en de hoop uit te spreken dat men ook in Den Haag de voornemens weet om te zetten in daden, laat de tijd in voorspoed komen.

Om even terug te grijpen: nu sijt het wellekome of zou het seit moeten zijn?