(nog) geen titel
Even zijn er wat armetierige vonken. Het ketsen der stenen schoot na in de ruimte, waar spelonken de stille getuigen zijn van het wonder dat hier zijn oorsprong vindt. Nogmaals ketsen de stenen en een verdwaalde vonk maakt zich meester van wat gedroogd gras, dat zacht begint te smeulen. Rook kringelt in een armetierig sliertje uit het bosje omhoog, de kern begint door het voorzichtige geblaas rood te gloeien, voor het besluit in zwart geblakerde vorm een nieuwe gedaante aan te nemen. Wederom maakt de duisternis zich van de omgeving meester. Gestalten, even opgelicht door de vertwijfelde rode gloed, verenigen zich weer in de zwarte ruimte.
Stenen ketsen weer, het gloeien zet door en een breekbare vlam kruipt door het gedroogde gras en twijgen. Schaduwen worden zichtbaar en de wezens rond het vuur zijn in een staat van trance van dit moment en laten dit op zich inwerken. Zwijgend, in een allesomvattend verbond, zijn zij elkaars aanwezigheid bewust, als zeven paar ogen zich richten op het licht dat hen in ditzelfde moment verenigd. Er worden nog een aantal twijgen aan het vuur geofferd: een voorzichtig pogen om een grotere tak van licht te voorzien moet dit, voor nu, ontgelden.
De breekbaarheid van vuur in dit moment, maant tot uiterste voorzichtigheid. Toch overwint de nieuwsgierigheid van een wezen die breekbaarheid van dit moment en op het gevaar af zijn metgezellen te confronteren dat zij nu allen lopen, springt een vonk op de tak over en weldra laaien de vlammen hoog op.