II
Alsof allen op dit teken hebben gewacht, nemen ook de anderen een tak in de hand, waarop velerlei symbolen zijn aangebracht. De offerande neemt een aanvang, de wezens verenigen zich in het moment, waarop de uiteinden van een zevental takken rood/wit begint te gloeien. Het vuur maakt zich met grote voortvarendheid van de takken meester: even voordat het uiteinde verkoold dreigt te raken, halen zij de takken uit het vuur. Licht zet de ruimte nu in vuur en vlam: gedaanten wenden hun ruggen naar de bron. Het gekras van de verkoolde takken verenigt zich met de ruimte. Het eerste pogen van de mens zichzelf aan de ander te openbaren wordt vereeuwigd.
Drank vloeit rijkelijk. Het gerstenat baant zich een weg door de lichamen van hen, die zichzelf aan Bacchus offeren. De alcohol zwiept door de rode vaten, vindt een schuilplaats in de geest van de ruimte, duister de hersenpan. Zeven wezens verenigd rond een tafel, waarop in het kleed de kleuren van een vlam te ontdekken zijn. Het rood vecht een duel uit met het blauw, geel en wit. Een zwarte rand geeft het kader van het strijdtoneel aan. Blauwgroen en oranjewit schijnen neutrale kleuren te zijn, maar ook nu blijkt dat schijn bedriegt. Onder de ogen van de anderen voltrekt zich een wonder. De woorden komen vanuit het niets, vlammend naar voren:
HET VERHAAL IS GEBOREN.