een een(d)I
Het snaterde al een heel lange tijd, maar de muren rond het water dempten het geluid. Het ruizen van de bomen en het zuchten van de wind overstemden het gesnater. De eend bleef drijven, waggelde wat op de kant en plonsde in het water. Vanaf haar geboorte was de eend aan de mens vertrouwd geraakt. In de steek gelaten als het was door het ouderpaar. Het eerste levende wezen dat zij tegenkwam was, als bij toeval, een mens en sinds die dag diende de eend de mens. Het groeide groter en groter en besefte niet dat zij steeds afhankelijker werd van diezelfde mens. Toch kon de eend niet over dit onderwerp met een andere eend praten, simpelweg omdat die andere eenden niet begrepen waar zij het over had. Dus kwebbelden zij en snaterden. De eend, geen bruin vermoeden wat achter de einder verscholen lag, voelde zich als een eend in het water en bespeurde zo af en toe wel iets anders, maar dacht dat dit slechts een gril van de natuur was.
Op zekere dag werd de eend in haar domein verrast, de mens plaatste schermen rond haar plas en aan het einde van die smalle sloot die doodliep werd een kooi geplaatst. De mens waarop zij vertrouwde en afhankelijk was, bleef de eend haar eigen plekje gunnen en op die manier bleef zij overtuigt van haar vrijheid. Ze kon gaan en staan waar zij wilde en door al dat geplons trok zij de aandacht van andere eenden, wilde, op hun tocht naar een nog onduidelijker bestemming. De wilden streken neer en verbaasden zich over de eenvoud en de simpele vrijheid die ons eendje ten deel was gevallen. Toen ook kwamen de wilde eenden tot de ontdekking dat de vrijheid die zij tot dan zo trouwhartig zochten, veel dichterbij te vinden was dan zij, door instinct gedreven, achterna vlogen.