Een vondst.
Het zijn zo van die dingen welke als het ware een eigen leven (in een doos) leiden. Maar wanneer ik met mijn verleden op deze manier wordt geconfronteerd, maakt het mijn verleden weer helemaal helder. Komt iets wederom tot leven en wil ik de mogelijke lezer van mijn leven toen en mijn gedachten in die tijd naar voren gaan brengen. Zou dit iets te maken hebben met mijn huidige leeftijd? Of is het stomweg jeugdsentiment?
Afgelopen week vroeg iemand mij: ‘wat is jou het meeste bijgebleven?’ Een moment verkeerde ik in een desolate verwarring: ‘is dit nu een verlate 1 april grap of is dit serieus?!’ Het ging namelijk over de psychiatrie. Toen heb ik de schatkamer van mijn herinnering geraadpleegd en kom tot de volgende woorden:
BESTEMMING.
De Seine aan mijn rechterhand, haar stroom ergens gevoed en ergens samensmeltend, vloeiend overgaand in dat waar de mens voor het grootste deel uit bestaat. Mijn fiets (Gazelle) staat tegen een boom. Ik zit in een tentje, royaal bemeten voor een persoon. Mijn vacuüm is daarmee concreet aangegeven. Ik ben afgesloten en ga op in een hemel die slechts gescheiden wordt door een flinterdun nylondoek. Wie ben ik? Een ziel opgesloten in zijn eigen lichaam, een voorbijganger, een zandkorrel die van zichzelf denkt wat te zijn, omgeven door al die andere zandkorrels die mogelijk hetzelfde denken? Als ik een slang was geweest, dan zou ik mijn huid hebben afgestroopt en verder zijn gegaan. Dat dit niet kan, begint langzaam tot mij door te dringen. Het voelt krachteloos, dat afscheid nemen van Bora en Jos, verdwijnend in die auto, het inschrijven op deze camping (Bois de Boulogne) het tentje opzetten en niet precies weten wat te doen! Tijd krijgt nu een totaal andere betekenis, ruimte imponeert door kleinheid en omgeven door miljoenen andere mensen raak ik verloren in mezelf. Ik sluit me op in mezelf, blijf ruim 24 uur in m’n tent en het is alsof ik, als die slang, uit mijn huid aan het kruipen ben en onderwijl trekken zij, zwijgend, als in een stomme film voorbij.
Wij noemden hem schizofreen, lachte op momenten die voor ons heel onduidelijk waren, sprak met iets of iemand waar wij niets van begrepen, gooide zijn gebit en horloge in de vijver, was hevig verbaasd dat daar een opmerking over werd geplaatst. Maakt zich op om afscheid te nemen van het leven. Dit lukte.
Of die andere man, super intelligent, bezig met het beantwoorden van de vraag ‘waarom?’ aan zichzelf door deze vraag ten onder gaand. De oude baas, niet verder komend dan een ‘hallo Lou, hallo Lou’, een vergeten leven achter zich latend waarin hij ooit directeur was van een bedrijf. Of de dame, een voet verbrijzeld, de andere afgerukt door de voortdenderende trein, de rest van haar leven vullend met de gevolgen hiervan.
Mensen waarvan op een bepaald moment de anonimiteit even werd doorbroken, die glimpen van hun mens zijn lieten zien, voor zij weer werden opgeslokt door hun huidige leven. Fragmenten, flitsen van leven als een grillig, fascinerend landschap, gehuld in regenboog kleuren, helder en vaag tegelijk. Flarden van geluk en teleurstelling, een spoor van verbroken relaties, levend als een beest, dan weer bezorgd om de ander, experimenterend met leven in al zijn vormen, zoekend, worstelend, zonder een specifiek doel voor ogen te hebben.
Langzaam begint het besef tot me door te dringen dat ik verslaafd ben aan de wereld van de ‘abnormale’ anderen. Maar is het eigenlijk niet zo dat WIJ ons ‘normaal’ zijn alleen bij de gratie van het ondefinieerbare ‘abnormale’ van de ander kunnen bestendigen? Waar ligt de grens?
Wanneer ik mijn tent verlaat, stroomt de Seine nog steeds in haar trage snelheid door. Mijn nieuwe huid past me als gegoten!