zelf & dood

Het Volk pleegt zelfmoord! Zo, als dat geen binnenkomer is, dan weet ik het niet meer. Het grote afscheid nemen is begonnen. En wat een ‘jubileum’ voorstelling had kunnen zijn, wordt waarschijnlijk een zwanenzang. Aldus een beschouwing door Margriet Prinsen in een recensie die zij aan het Volk heeft gewijd. Het Volk. Reeds 36 jaar met een volstrekt eigen geluid en navenante stukken op velerlei podia in den lande, niet altijd tot eenieders genoegen, het publiek overrompeld met hun strikt eigen wijze van toneelspelen. De gebroeders Kruijver en Bert Bunschoten als het vaste trio aangevuld met Aike Dirkzwager als regisseur het volk in de zaal regelmatig onthaald heeft op stukken waarin het mannelijk onvermogen centraal stond.
Altijd weten de hoofdpersonen in het theater van het Volk zich op onbekommerde wijze in de nesten te werken, om vervolgens blijmoedig het wrede lot te aanvaarden. Vaak in even herkenbare als hilarische voorstellingen, waarin het mededogen met de mens, als eeuwige underdog en gedoemd verliezer centraal staat. Dit alles gelardeerd met een bijzonder taalgebruik, archaisch en vol vondsten.
Het Volk. Waarvan wij de laatste jaren met meer dan een enkel genoegen de smaak mochten proeven. Vol hoogstandjes waarvan de essentie veelal naderhand een plek in mijn denken mocht verwerven. De spiegel die, bij herhaling, werd voorgehouden. En waar de herkenbaarheid niet alleen grotesk, maar dikwijls ook heel subtiel ten tonele werd gevoerd. Hetgeen mij uitstekend kon bekoren. Ook bij deze woorden komt een mate van ‘volgeling’ naar voren. En ook daar ben ik me zeer bewust van. Iemand die achter de hoede meeloopt. Want voorin eisen anderen veelal hun plek op. In een bepaalde mate ben ik dus stomweg een meeloper. En daar heb ik, dit keer, geen enkele moeite mee. Ondanks dat ik schuil ga achter die geheel eigen identiteit. De uniciteit van mijn zijn. Alles wat daar dan weer mee samenhangt. Samenhang en zwanenzang. Alsof dit ook tot een eenheid kan worden gesmeed…
In ‘Het jubileum’ draait het om drie komedianten die proberen de tijd tegen te houden door eindeloos hetzelfde te blijven doen: spelen in de revue. Het stuk begint als een surrealistisch sprookje, waarin de drie acteurs vertellen hoe ze als wezen zijn overgeleverd aan de grillen van het lot. Ze beloven elkaar altijd samen te blijven en nooit dood te gaan. Als ze terechtkomen bij de revue van Bulthuis, krijgt hun leven een doel: zeven dagen in de week van ‘s ochtends tot ‘s avonds laat zijn ze aan het oefenen voor hun optredens.
En dat is dan de parallel. Een tekening, een scenario dat garant staat voor het leven. Hetzelfde maar dan in een ietwat andere omstandigheid: de planken. Maar kijkend naar mijn eigen leven ontkom ik er niet aan dat dit zich ook in mijn leven voordoet: het carpe diem gevoel gelardeerd met de herhaling van het voorafgaande gekoppeld aan de suggestie om uitsluitend leuke dingen te gaan doen. Maar zelf daarin bestaat de kans dat de klad zich van de leuke dingen meester maakt…
Waar doet een mens het eigenlijk voor” Vanuit die eigen bevrediging, genoegdoening dan wel de satisfactie van ooit dat nummer van de Stones” De eeuwige herhaling die een belangrijk deel van het pad laat zien” De zekerheid waaronder de onzekerheid verborgen blijft” Want ik geef het je toch te doen, te zijn vanuit het gegeven dat onzekerheid de enige zekerheid is die wij mensen hebben.
Laat ik het eens anders formuleren. Laat ik nog eens mezelf gaan citeren. Uit de bundel IK ben voor niemand iemand meer. Van lang geleden, het voordeel van de tijd.
pijnig ik / mijn hersens weg // te denken / doen en laten // pijnig ik / mijn lichaam weg //
te denken /doen en laten // pijnig ik / mijn levensweg //te denken / doen en laten //
pijnig ik / mijn dood // lopende weg.

¬†En met een wees gegroet maak ik me er dit keer misschien wel wat makkelijk vanaf…