WWvW, WijzeWoordenvanWillem

Geen parades. Geen stokpaardjes die bereden worden. Geen vlammende betogen. Geen belangen die te vuur en te zwaard verdedigd moeten worden. Geen rozen op mijn pad, althans geen rode. Vandaag eigenlijk geen rode gezien, laat staan gesproken. 1 mei, zomaar weer voorbij. Waar waren die andere tijden. Toen alles van stal werd gehaald, uit de kast werd getrokken en de arbeider zijn plaats innam, zijn plek wist te vinden. Toen het morgenrood nog door de ether schalde, de VARA stond voor de Vereeniging Arbeiders Radio Amateurs die de richting bepaalden. Toen Samson nog een mythische figuur was en Delilah in afwachting was om door Tom Jones bezongen te worden. Toen Troelstra de revolutie predikte, gelijk de republikeinen met een opkomst van zo’n zestig overtuigden, de monarchie probeerde de bel aan te binden. Gelijk een kat op een zinken dak wat benauwde sprongen probeerde te maken.
De chaos van al die betrokkenen is opgeruimd en de steden weer een opgewekte, opgeruimde indruk kunnen maken op de stromen van toeristen die dankzij de monarchie het Koninkrijk komen bezoeken.
Het zijn, naar mijn smaak, mooie woorden die Koning Willem Alexander zijn volk deed toekomen. Woorden die dit keer getuigen van diepgang en die het glas tot aan de bodem weten te vullen. Een goed glas gevuld met een brouwsel van een goed jaar. 1967, maar ook daar heb ik reeds kond van gedaan. In mijn toenmalige eenvoud van dienstplichtig fuselier. Graag citeer ik dit keer wat delen uit zijn toespraak.
In de loop van twee eeuwen is het Nederlandse Koningschap onlosmakelijk verbonden geraakt met de parlementaire democratie. Deze inhuldiging en de eed die ik straks afleg, bevestigen dat verbond, dat is verankerd in het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet. Democratie is gestoeld op wederkerig vertrouwen. Vertrouwen van burgers in hun overheid. Een overheid die zich aan het recht gebonden weet en perspectieven biedt. Maar ook vertrouwen van de overheid in haar burgers. Burgers die zich medeverantwoordelijk weten voor het algemeen belang en opkomen voor elkaar. Alle publieke ambtsdragers, of ze nu gekozen zijn, benoemd of aangewezen, hebben aan dat vertrouwen hun bijdrage te leveren. Zo wordt de democratie onderhouden. “In het winnen van wederkerig vertrouwen ligt een voortdurende opgave, in het klein en in het groot.” Dat zei mijn moeder in haar laatste kersttoespraak als Koningin.
Iedere Koning geeft een eigen invulling aan het ambt. Hij is een andere persoon, in een andere tijd. Het Koningschap is niet statisch. Binnen onze staatsrechtelijke regels heeft het zich steeds kunnen aanpassen aan veranderde omstandigheden. Die ruimte hebben ministers en Staten-Generaal de Koning ook geboden. Tegelijkertijd is het is het Koningschap een symbool van continuiteit en gezamenlijkheid. Het is een directe verbinding met ons staatkundig verleden, het tapijt van onze geschiedenis waaraan ook wij vandaag gemeenschappelijk verder weven. In de geschiedenis vinden we de verankering van de waarden die we delen. Een van die waarden betreft de dienende rol van de Koning. De Koning bekleedt zijn ambt ten dienste van de gemeenschap. Dat diepgewortelde besef werd al in 1581 door de Staten-Generaal vastgelegd in het Plakkaat van Verlatinghe, de geboorteakte van wat later Nederland is geworden.
Ik treed aan in een periode dat velen in het Koninkrijk zich kwetsbaar en onzeker voelen. Kwetsbaar in hun werk of in hun gezondheid. Onzeker over hun inkomen of over hun leefomgeving. Dat kinderen het beter krijgen dan hun ouders, lijkt minder vanzelfsprekend dan vroeger.
Ieder voor zich lijken we weinig greep te hebben op ontwikkelingen die ons leven beinvloeden. Onze kracht ligt dan ook niet in afzondering, maar in samenwerking. Als familie. Als vrienden. Als bewoners van een straat of buurt. Als burgers van ons Koninkrijk. En als bewoners van deze aarde, die zich geconfronteerd zien met tl van opgaven die alleen in internationaal verband zijn op te lossen. Eenheid en verscheidenheid. Eigenheid en aanpassingsvermogen. Besef van de waarde van tradities en nieuwsgierigheid naar wat de toekomst brengt. Die kenmerken hebben ons in de loop van onze geschiedenis gemaakt tot wie we zijn.
Woorden die de zinnen van zijn van een inhoud weten te voorzien. Uitgesproken door een Vorst, waarbij een veelvoud van Vorstinnen hem zijn voorgegaan: Emma, Wilhelmina, Juliana en recent Beatrix. En ik realiseer me dat ik in 1948 reeds een jaar oud was, in 1980 weer wat ouder en in 2013 een stuk… ouder ben dan ik me ooit had kunnen bedenken. Dat ik dit bedenk op 1 mei. Dat ik woorden die op de laatste dag van april 2013 zijn uitgesproken in de Nieuwe Kerk. En dat we morgen 33 jaar getrouwd zijn. De helft van mijn leven! En dan tel ik voor het gemak dit keer de vijf jaren dat wij in concubinaat verkeerden dit keer eens niet mee, hoewel…