Woensdag, halverwege

Woensdag, 17 april 2013.
Nog steeds weinig te melden. De dagen blijven zich aaneenrijgen, gelijk een paternoster in de handen van een grijsaard. Paternoster. Ooit een gedicht op gemaakt in een setting die deed denken aan Paul van Ostayen. Niet dat ik mij veel aan dichters gelegen heb laten liggen: dichters dichten open zaken geregeld dicht. Daarvoor is mijn werk te weinig baanbrekend geweest. De voorspelbaarheid een goede raadgever geweest en mijn pretenties navenant. Voor zover er sprake kan zijn van pretenties. Neem nu mijn fotografeerwerk. Soms sta ik van mezelf te kijken. Op andere momenten denk ik er het mijne van: pulp. Maar juist die pulp roept dan weer andere associaties op: tijd en omstandigheid en daardoor het vullen van de ledigheid leidt dat ik de tijd kwijt raak. En dat ik me niet meer kan schuilen achter dat credo van al die werkenden: geen tijd! Tijd zat. Met het doen van die veronderstelde leuke dingen. Wat mij ooit is voorgeschoteld. Door die cardiologen. Toen ik ternauwernood besefte dat ik, in zekere zin, die kameel probeerde te evenaren. Het kruipen door het oog van de naald. En het patroon dat zich daarna voordeed: de gelijkmatigheid der dagen en het niet stilstaan bij de feiten die zich in mijn lichaam voordeden. En zich misschien nog steeds voordoen. Zonder het besef dat dit dan zo zou zijn. Het heeft wat weg van die struisvogel. Maar ook dat verhaal berust op onzekere waarheden. En met onwaarheden valt wel degelijk te leven. Al besef ik niet altijd op welke manier. Zo er sprake van een manier kan zijn. Stilaan kom ik tot het besef dat je niet altijd stil kunt staan bij het leven van alledag. Dat ook ik, of misschien wel juist ik, niet veel meer ben dan een mens van alledag. En ik daar niet dagelijks bij stilsta. De angst om juist dan achteruit te kunnen gaan, zou daar een rol in kunnen spelen. Hoewel ik ook dat weer betwijfel. Twijfel. En dat vriendje van hem: weifel. Toch laat ik daar mijn gedachten niet door beinfluenceren. Ik kijk wel uit! Vooral bij het oversteken! Netjes wachten tot het moment waarop de lichten mij tot voortgang weten aan te moedigen. Waar is de tijd van de knipperbollen. Ik heb ze nog staan. Boven. In die kast met andere Dinky Toys. Speelgoed uit mijn tijd. En de tijd daarna. Een trein uit 1962. Trix Express. Omdat daar drie treinen onafhankelijk van elkaar te bedienen zouden zijn. Maar een treinbaan heeft dit nooit voortgebracht. Wel een verwoed verzamelaar. Waar is die gebleven”