weer

‘Hagel en sneeuw, stormen, wind en regen, deren ons niet wij kunnen er wel tegen. Lach er maar om en stap er flink doorheen, ‘t is pech maar zeg, als straks de zon eens scheen…’ Een tekst uit een lied uit mijn verleden. Toen de scouting nog gewoon padvinderij heette. Wij de Akela nog beloofden ons best te zullen doen. Wij kampeerden in het hooi in een groot uitgevallen stal. We kampvuurtjes stookten. En we de pannen met groene zeep insmeerden alvorens deze op een houtvuurtje te gaan gebruiken voor het koken van aardappels. Het gedoe dat zich voordeed wanneer naar bed gaan werd aangekondigd. En Raksja en Bagheera zich bezig hielden met de nachtzoen, toen Mowgli nog steeds een welpenjong was en Lord Baden Powell op een voetstuk stond. Toen de Boerenoorlog in Zuid Afrika werd uitgevochten en Paul Kruger met veel eerbetoon in Nederland werd onthaald. Ik was welp, werd niet veel later verkenner en de Kennemer Woud Lopers ging op in Dirck Duyvel. Op de Zandersloot leerden wij pionieren, werken met een kompas en zaten we allen in een eigen nest. Was er een patrouilleleider en had ik het genoegen om apelul te zijn, hetgeen stond voor assistent patrouille leider. In Militaire Dienst schopte ik het niet verder dan Korporaal, hetgeen het hulpje van de sergeant bleek te zijn. Stond ik wederom voor apelul. En nu, aan de vooravond van het fotocafe, komt de opdracht van Jan weer in het zicht. Weer, alwaar ik eerder al melding van heb mogen maken. Weer of geen weer houd er weer de moed maar in. En omdat het illustreren aan de hand van het weer er vandaag weer eens niet inzit, dien je het vandaag met deze woorden te doen. Waardoor de beginregel van dit stukje als het ware voorspelt, wat het weer morgen misschien als een verrassing ons te wachten staat…