Voorstellen

Het stelt niets voor. Althans, zoals ik het me voorstel. Voor zover ik het mij kan voorstellen. Want stel je nu eens voor. Dat de voorspoed zich voordoet. Dan beid ik niet alleen mijn tijd, maar weet ik ook dat het niet lang meer zal duren voor het doek opent, de voorstelling kan beginnen. Waarbij ik me voorstel aan een zaal vol verblufte gezichten. De vraag wie voor wie optreedt, in het midden latend. Alwaar een middenpad ontbreekt. De vraag wanneer de eerste tekstregel van de voorstelling de zaal in geslingerd werd, een dubieus antwoord aan de eerste rij ontlokt. De eerste rijen. Waarschijnlijk. Want ik blik in een groot, zwart, diep donker gat. De lampen ontnemen mij elke mogelijkheid een blik op die, veronderstelde, verblufte gezichten te werpen. En onderwijl ondergaat de voorstelling een verandering. Er doet zich een verademing voor: een brug van zuchten verbindt de ene muur aan het volgende balkon. Die scene vraagt om een herhaling: het diorama verdiept zich. Een eerste doekje lijkt de zaal op te zwepen: ginder wordt een toneelknecht in elkaar geknuppeld. Hij hield zich niet aan de afspraken: de voorstelling wordt stilgezet.
Een pauzenummer: een ingelaste uitzending. Boze tongen beweren dat men eruit is. Waaruit blijft de vraag: van enige opluchting kan dit keer geen sprake zijn. Men vraagt om stilte. Niet veel laten mant men om aandacht. Tussen de coulissen is sprake van enige opwinding. Het heeft er veel van dat een windvlaag de windbuil de gelegenheid wenst te geven, zijn opwachting te gaan maken. Even is er sprake van een vette knipoog. Heeft het er veel van dat dit oog van een geblondeerde kuif wordt voorzien. Ook dat kan verbeelding zijn. Hoe lang zal het nu nog gaan duren voor het spel een aanvang kent” Terwijl dit al weken speelt. Waarbij het weer, zich langdurig, aan de spelregels heeft weten te houden. Niet te veel en ook niet te weinig. Stel dat HIJ zich uit de naad zou moeten trappen. Het zweet ruggelings zijn windjack weet te vlekken. Bevlekken om het geheel nog juister uit te drukken. Er verschijnt een bril.
Een eerste Limburgse tongval. Ietwat bekakt. Een intellectueel die het woord vraagt. Het woord krijgt. Het woord gaat voeren: ‘Dames en Heren’… klinkt dit keer een blikken stem. HIJ laat zich horen. HIJ laat zich niet zien. HIJ kijkt wel uit. Onderzoek heeft uitgewezen dat overgebleven eieren, rotte tomaten en idem vis in grote getale is verzameld. Om daar nog pizza’s van te bakken en deze uit te delen, gaat zelfs HEM te ver. Neen, het enige wat HEM overblijft is een kunstje te bakken. Niet eerder dan dat HIJ de plaat heeft weten te poetsen. En door dat poetsen zijn we zomaar weer een week verder…
Neen, dan liever een ander verhaal. Maarten Veenema heeft gereageerd. En met Maarten,durf ik nu te stellen, had ik een zeker bandje. Juist door dat bandje bleef hij in mijn lange termijn geheugen hangen. Het zal hem zeker wel een genoegen doen, dat ik mij nog goed en roeitocht weet te heugen. Of een knoflookkip bij Joke heb mogen helpen verorberen. Of was het nu kip met knoflook”! Wel veertig tenen, hetgeen de dorst tot een zeker hoogtepunt bracht. Maarten. Uit Fryslan. Alwaar hij momenteel zijn domicilie heeft gevonden. Nog steeds met Rindert. Een man met een bril. Mogelijk nu voorzien van lenzen. Maarten. Deel uitmakend van de laatste groep oude stijl. Voor een nieuwe vorm werd ingezet. Of uitgevonden. Waarbij de introductieweek werd gebruikt om allerlei onzinnige dingen voor elkaar te krijgen. De ideale afdeling. Een roeitocht in de Eilandspolder. De start bij cafe De Vriendschap. Met Noet. Jeroen. Die een schoen verloor. Helaas na de BVP Duin & Bosch moest verlaten. Astrid. Pascal. Guus, die eigenlijk Pepijn heette.
Ja, het doet mij een genoegen een teken van leven van jou te mogen ontvangen! Juist in dit deel van mijn andere leven. Aan de vooravond van mijn nakende pensioen: niet alleen mijn wegen zijn onvoorspelbaar. Het heeft dan ook veel weg van een kronkelweg. Zoals het begin mogelijk de ander op het verkeerde pad zet. Of juister: het andere been. Of nog gevatter: de verkeerde poot!