Voetsporen

Zo af en toe denk ik daar nog weleens aan. Meestal op een moment, dat ik me onbespied acht. Dat mijn gedachten niet te raden zijn. Ik simpelweg op vragen daaromtrent kan antwoorden met de opmerking: ‘nergens aan…’ Dan ook veel betekend blijf zwijgen…
De afgelopen week weer te horen gekregen dat ik het, naar omstandigheden, redelijk goed maak. Ja, dank u! Hoop dat voor u hetzelfde mag gaan gelden! Heel anders is dat schrijfsel wat ik kortelings geleden op zolder tegen kwam. Ondertekent met De Sint, wil ik je dit epistel niet onthouden. Het geeft iets weer hoe mijn vader ooit tegen de dingen in zijn leven aankeek. Het luidt als volgt:
Papa heeft bijna heel z’n leven / ieder half jaar een portie bloed gegeven. // Alleen de laatste keer was z’n bloeddruk wat te hoog / als het oog van de laborante niet bedroog. // Snel naar een andere internist gegaan / met de opmerking: ‘U moet drie dagen de alcohol laten staan.
Pa in de zenuwen, dat kun je je wel voorstellen, / maar als je in de zestig bent, dan ben je niet meer een van die snellen! // Men zegt ook: ouder worden komt met gebreken / als het is zoals nu, dan is zo’n onderhoudsbeurt wel goed bekeken!
Je iets matigen, dat is toch niet zo erg, / Pa ziet tegen dit soort onderzoeken op als een berg. // Uiteindelijk valt alles nogal mee / en Pa denkt dan: ‘Ik ben nog redelijk o,ke!’// ‘t Is wel jammer dat ik nu vetspek moet laten staan / maar ik ben wel af van de levertraan. // Om dit leed wat te verzachten / en sommige dames wat te laten smachten // een geurtje, wat misschien niet is te harden / U raadt het al, ‘t is iets van…!
Vanzelfsprekend gingen de vragen de laatste keer over mijn hart en bloedvaten. In het bijzonder omtrent mijn algehele conditie. Ik zit nu eenmaal in dat systeem, dus heel verwonderlijk is dit niet. Pa gaf bloed en ik trad in zijn voetsporen. Pa ontdekte op zeker moment een blauwe teen en kwam vervolgens in aanmerking voor een broekoperatie. Pa ging zich, zijn leven lang, te buiten aan vetspek en uitgebakken kaantjes. Ook hij was, in zekere zin, een kind van zijn tijd. Een periode waarin bloedworst, peulvruchten, vetspek dan wel reuzel deel uitmaakte van de gestampte pot. Dat leverworst en metworst wekelijks bij slager Olie werd gehaald. Dat volvette kaas en vooral oude kaas een belangrijk deel van het beleg voor zijn rekening nam. Dat de potten pindakaas ook geregeld het brood kwam versieren. Dat suiker voor een groot deel volstond om de zoetekauw ook nog enige bevrediging te schenken. En dat hagelslag iets was wat toen heel zelden op tafel kwam. Waarbij een ontbijt meestal het brood op de broodplank betrof. En waar uitgebreid ontbijten met het hele gezin niet opportuun was.
‘Those were the day’s, my friend…’ Het behoeft daarom geen dat de open deur, waarmee ooit een aanvang werd genomen, niet meer dan een duizendste millimeter verder is geopend.