Tijdgrens (t aan het eindige).

Nog mazzel dat ik nooit een vak heb geleerd. Neem nou timmerman; ik denk dat ik in staat zou zijn alle planken mis te slaan. Mijn duim zou onderhouden worden door de Spoed Eisende Hulp dan wel zouden ze me aanraden om metalen handschoenen te gaan dragen. Alle spijkers zouden koppen missen en iets wat loodrecht zou moeten staan, komt eruit te zien als die toren in Pisa. Mijn pas zou ongetwijfeld wateren, terwijl ik zou vergeten mijn rits te laten zakken en verbaasd sta te kijken wanneer een vergiet zich openbaart. Zoveel stralen tegelijk doet denken aan een wonder… Neen, niemand hoeft dit keer aan mijn dacht te twijfelen! Meerdere malen heb ik grenzen overschreden en een aantal keren mocht ik mij verantwoorden. Het liep veelal met een berisping af. En op dat moment dacht ik vergeefs: had ik maar een vak geleerd. Te werken met mijn handen, voeten desnoods maar niet enkel met mijn hoofd. Dat is echter allemaal achteraf, hetgeen een paard het nakijken geeft. Neen, laat ik er niet langer doekjes om winden en me over geven aan de tijd. Nog eens een grens gaan overschrijden en mogelijk voor een moment komen tot die hamerslag. Waardoor ik even de illusie koester dat ik… neen een houtbewerker zal ik nooit worden, laat staan dat ik het hout schrijn!
TIJDGRENS.
Zijn het weer de trage schreden / tegen het einde, wat is tijd / hebben wij de zin beleden / in leven wat steeds rapper schrijdt // Wat is toekomst, wat verleden / daagt daarginds een licht / Wat is gister, nu, het heden / waar zijn ogen op gericht / wat maakt mooi en wat is lelijk / een paspop staat, te kijk // een grijsaard ligt heel mooi te zijn / tijd sluipt heel vilein / zacht door schaduw licht te wezen / laat deez’ letters troebel lezen // loopt het zand reeds zoet ter neder / geeft het toch geen pas / draai het om en tijd keert weder: / tijd past als een nieuwe jas!
Nu zou ik kunnen vragen: roept u maar maar het dat wat nu reeds is verleden treed ik wederom in mijn heden!