sterfelijk

Het heeft dan ook iets heel bepalends. Niet dat het mij niet eerder is opgevallen maar nu ik met mijn toestel langs de glazen wanden loop, mij hul in stilzwijgen en dan plotsklaps dat toestel tevoorschijn tover, wordt het bijkans een magisch moment. Mysterieuze krachten maken zich van het objectief meester en ik heb niet veel meer te doen dan de ongekende krachten te stroomlijnen. Uiteindelijk is het mijn wijsvinger die de knop beroert en niet veel later ligt ook dat moment vereeuwigd vast. En vervolg ik mijn weg. Laat mijn blik links en rechts wat flitsend door de omgeving schallen en hoewel dit absoluut niet kan zijn het mijn schellen die van mijn ogen naar beneden glijden. Geheel onzijdig en voor het gemak voor een deel uit feitelijke abstractie geef ik mij over. Voor mij geen vraag omtrent de evolutie. En van een schepping kan in mijn ogen alleen maar sprake zijn wanneer ik mijn blik via dit glazen oog op het object richt.
Het heeft dan ook weinig met een zeker geloven van doen. Vandaar ook dat die vraag een totaal irrelevante vraag is. Zoals ook de vragen die zich voordoen in het gebundelde werkje wat met de aanbiedingen de deurmat teistert. Het geeft ook geen dreun: het staat dan ook bij punt 6. Conclusie. Geloof in de evolutietheorie betekent dat er geen antwoord is op belangrijke vragen als: ‘Waar kom ik vandaan” Waarom ben ik hier” en Waar ga ik heen als ik sterf”‘
Geloven we in de Bijbel, dan zijn er wel antwoorden op die belangrijke vragen. Dan mogen we weten dat God uit liefde ons geschapen heeft en een plan met ons leven heeft.
Een jaar geleden nu. Een jaar wat zich niet liet aanzien door het aanzicht wat ik een jaar later onder ogen kreeg. In de week dat een tweetal bekenden overlijden. En de evolutie zich ongestoord voorwaarts begeeft. Zich constant voorwaarts zal blijven begeven. Tot het moment dat de mens ingrijpt. Zich niet realiseert op welk een ingrijpende wijze de mens die evolutie tot staan weet te brengen. Voor een deel de consequenties wel wist te benoemen, theoretisch wist te verklaren, maar zich nimmer realiseerde dat ook de aarde dan wel de kosmos die eigen wetten hanteert. Waar modellen niet meer zijn dan een verkleinde weergave van de werkelijkheid. Waar cartoonisten op een andere manier tegen aankijken dan een wetenschapper kan verantwoorden. Waar de leek, niet gehinderd door enige vorm van kennis, zich kan permitteren om te schutteren. Waar stuntelen op prijs wordt gesteld en het excuus aanvaard wordt. De opmerking: ‘het had ook mij kunnen overkomen…’, een gangbare reactie is. En waar de plank geregeld bij misgeslagen kan worden. De evolutie van de mens. Waar biologen zich ook nog steeds over verwonderen. En waar de microkosmologie zich verhoudt als de aarde tot het heelal. En men geen idee heeft omtrent de eindigheid. Hooguit het vermoeden als men spreekt over miljarden lichtjaren waarop een ander sterrenstelsel van ons verwijderd is.
Ik ben klein. Ik voel me nietig. En weet eigenlijk niet zo goed op welke wijze ik de dag van vandaag onder kan brengen. De tijdelijkheid van het leven realiseer ik me wel, en gelijktijdig probeer ik dit gegeven te ontkennen. Niet in de mate waarop de struisvogel zich laat gebruiken, maar meer in het besef van de tijdelijkheid. Van alles. Niet alleen van het lichaam, ook van de geest. De vluchtigheid van het zijn. De grilligheid van dromen. De fantasie van de geest. Het wezenlijke wat zich niet laat vatten. Welke pogingen ook worden ondernomen. De filosofen. De ontdekkers. Wetenschappers. En de simpele mens die eenvoudige woorden vond. Daar geen ophef van maakte. Waardoor juist die woorden verloren zijn gegaan. Of zich bij voortduring herhalen. Zonder dit in de gaten te hebben. Te zien als een gewoonte. Een vanzelfsprekendheid.
God. Geboden. Gebed. Bidden. Gebod. Gebeden. En mijn vraag die overeind blijft. Over leven en over dood. Er nog steeds niet bij kan. De vraag van het waarom. De vraag waarop de dood keuzes weet te maken. De vraag naar de betrekkelijkheid. Van alles. Van iedereen. De sterfelijkheid. En gelijktijdig de onsterfelijkheid die door Simone de Beauvoir beschreven werd. De hypothese waarop die gedachten berusten. En de onvoorstelbare voorstelling die zich dan voordoet. Levenslang tot levenslang veroordeeld. En wat je ook doet, wat je ook weet te bedenken dat levenslange gaat maar door. Onverbiddelijk. De Jacobsladders die zich links en rechts van je voordoen en jouw weg die eindeloze band. Oneindig.
Ik neem even wat rust. Even pauze. Al was het maar om de tijd stil te zetten. Voor dit moment.