Stedelijk

Hoe stedelijk is het Stedelijk”! In ieder geval zo stedelijk, dat het ons redelijk weet bezig te houden. In die zin dat het Rijks een veelvoud van belangstellenden in eindeloze rijen in toom weet te houden, wij de plannen ter plekke wijzigen en een belangrijk deel van de dag ons vermeien in dat eerder genoemde Stedelijk. Niet in de laatste plaats door het gegeven dat jarenlange verbouwingen ervoor hebben gezorgd dat er sprake is van een veelvoud van kunsten, neem nu bijvoorbeeld ‘De Badkuip’ van dat eerder genoemde Stedelijk, maar ook de ettelijke miljoenen die hiermee gemoeid zijn en gemoeid zijn geweest. Niet voor niets staat op dat Monument op de Afsluitdijk dat ‘een volk dat leeft, aan zijn toekomst bouwt’, maar ook door het feit dat musea toonkamers schijnen te zijn van niet alleen de welvaart, maar met namen de kunsten die een volk zijn toegedaan. En dan heb ik direct een punt: wat de een ervaart als een vorm van schoonheid, zal bij de ander niet veel meer dan walging kunnen oproepen. Misschien dat zelfs een kreet die doet denken aan ‘ontaarde kunst’, aan de lippen van een enkeling ontsnapt. Neem nu Appel. Of een Koon. Of ieder ander. Malevich. Een Willink en een Toorop. Het heeft dan ook wat, door zalen te dwalen, wat beelden te schieten, kroketten te scoren en de verschillende ambiances op elkaar in te laten werken. De vleugelboot van Connexxion, het gezicht vanuit het Eye op het IJ, de tocht door de stad, de rijen bij het Rijks en de relatieve rust van het Stedelijk. Geen stortvloed aan mensen, zalen voor een enkeling, een ongekende rust die van het gebouw uitgaat en de verantwoorde opstelling van de, in de tijd, verzamelde kunstwerken. Waarbij iedere keer het oog wordt getroffen: het eye dat ook wat wenst. En het heeft er even veel van dat een ongebreidelde honger zich van mij tracht meester te maken. Een ander moment wat zich kenmerkt door een overprikkeling en de koffie die niet veel later de zinnen weet te verzetten. Of dat biertje dat zich van mijn slokdarm meester maakt…
Cultuurtutten noemt vriend Jan zo’n dagje uit. En in zekere zin slaat hij daarmee de spijker recht op zijn kop. Nu heb ik wel enige problemen omtrent het recht slaan dan wel het recht houden van een niet altijd zichtbare horizon, maar wanneer ik schilderijen zie waarbij bewust is gekozen voor een scheefstand, geeft mij dit, als burger moed. Opdat moment kunnen de opmerkingen van ooit Jan Hemels wat mij betreft de hemel in. Of misschien is een redelijke boom een goed alternatief. Neen, ik kan oprecht zeggen dat een dag als vandaag niet alleen de zinnen verzet, maar ook de betrekkelijkheid des dagelijkse dingen in een vergelijkbaar daglicht zet. Het licht der dagelijkse dingen, niet meer en niet minder. En dat die dagelijkse dingen een wezenlijk aandeel hebben in mijn zijn, spreekt welhaast voor zich.
Dan de thuiskomst. Een brief. Van de Rijksoverheid. Even denk ik dat dit door Justitie te mijner adresse is gesteld. Achter op de enveloppe staar CIBG. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ik word verwittigd van het feit dat ik sta ingeschreven in het BIG-register. Met als beroep verpleegkundige. Mijn inschrijving heb ik nodig om mijn beroep uit te mogen oefenen. Sinds 1 januari 2009 is voor mijn beroep herregistratie ingevoerd. Als u (zich”!) niet op tijd herregistreert, wordt deze BIG-registratie doorgehaald.
Het is voorbij! Was je ooit in een verleden verpleegkundige tot de dood erop volgde, moesten nabestaande geattendeerd worden op het retour zenden van het door de overheid verstrekte insigne, is dit nu allemaal verleden tijd. Wordt het voor mij ook verleden tijd. Want die speelde in een andere tijd, in mijn voorbije verleden. Ik zal geen herregistratie aanvragen. Simpelweg door het gegeven:
‘wat geweest is, is geweest.’ Gelijk ook deze dag ook is geweest. Hooguit dat ik daar nu nog even melding van maak!