Spraak verwarring


iGer.nl
Ik kwam dit tegen. Somberheid wat mij ooit aansprak dan wel de somberheid van toen, het moment van nu, om dit onder de aandacht te brengen. Onder JUW aandacht te brengen. Omdat het voorjaar zich in grauwe wolkendekens hult. Of de grauwsluier die het goudkleurige randje van een verleden dag weer even doet opwellen, voordat dit in de tijd vergaat.


iGer.nl
Ik ben niet altijd even duidelijk. Kwam ik vandaag achter. Toen ik een artikel las. Want er is een verschil tussen
spuit 11 en spuit elf. Als je dit leest, tenminste. Niet als je dit uitspreekt. En dat terwijl ik in niet geringe mate trots was op juist mijn noemer van Spuit elf. Op een dag in januari bedacht. En opgestuurd. Maar kwam mijn naam niet tegen in een zondagsblad. En dacht aan …
Een zonnetje dat schijnt.
Het gevoel dat het bij mij oproept. Een gevoel van blijdschap.
Het kunnen vastleggen van al die indrukken.
En het weten dat ik keuzes weet te maken.
In plaatjes. In teksten. En het oproepen van die oude krachten.
Noem het oerkrachten. Noem het een gevecht. Noem het zijn.
Een totaal zijn. Want het is een bepaalde mate van bitterheid wat onder het oppervlak schuil gaat. De ogen geopend en de driften die zich ongemerkt kunnen voordoen.
De uitgestelde momenten waar de tijd een rol in speelt.
De kwetsbaarheid van dat moment. De krachten die dit oproept.
De angst wat toch ook een deel van het geheel is.
Onzekerheid. Maar”


iGer.nl
Morgen weer een nieuwe dag. Morgen naar maandag.
Morgen weer andere plannen. Morgen met afspraken.
Morgen wat straks is. Morgen met weer een uitdaging.
Dus houd ik me vast aan morgen! Doe ik, op mijn manier, aan valideren. Geen revalideren! Met prikkels! Eerder genoemde prikkels! En krachten! Ongedachte, onverwachte krachten! En die krachten heb ik! Ik voel ze! En ik duid ze! Hier en nu! Kom maar dag! Ik ben er aan toe!
OERKRACHT
Daar huist, in ‘t grauwe lover
HET ENGE BEEST, met sprieten
op z’n kop, vol slijm de bek
loopt over, schubben glimmen
in een verlate zonnestraal heft
het z’n klauwen op en
grauwt z’n tanden rijten
de bloedeloze lippen vaneen
ze scheuren zacht de aarde
bloedt, begint het krampen
een klauw slaat toe het
zwarte bloed baant zich een weg
steeds heftiger grauwen,
klauwen klauwen rijten open
de verse wond steeds verder
open ligt zij daar, kwetsbaar
volmaakte moederschoot
glanst daar in laatste zonnestraal
geschubd nieuw wezen grauwt
door paringsdrift geboren goed
van het kwaad, het licht
verlaat de hemel hult
en huilt pikzwarte tranen.
Een beetje zoals de dingen dubbel kunnen gaan. Dwars gaan liggen. En daardoor balanceren. Zonder het één kan het ander niet bestaan, zonder dat ander blijft het één de vraag. En vragen vragen heel vaak om een antwoord, waarbij zwijgen ook een zeker antwoord kan zijn. Zodat de balans blijft bewegen. Tussen de lusten en de lasten. Tussen de plussen en de minnen. Tussen, desnoods, yin en yang. Tussen leven en jawel, de dood. Niet altijd letterlijk, maar meer in overdrachtelijke, figuurlijke zin. Waardoor de kern van bestaan weer aan het licht komt. Levenslicht. Een fakkel die brandt, een vlam die flakkert. En dat dit gepaard gaat met enige rookontwikkeling…


iGer.nl