Sloot , God en mijn bijna dood!

Dat zal me niet gebeuren! Verzuipen in een prutsloot! En toch heeft het er veel van dat ik het onderspit ga delven. Ik sta dan ook tot aan mijn kin in het water, weet niet waar ik het zoeken moet en voel mijn schoenen steeds dieper in de prut zakken. ‘Ik wil godverdomme niet dood! Niet nu in ieder geval ik moet naar huis want ik heb Ria beloofd thuis te komen. Nadat zij mij, wat verontrust, had opgebeld. War ik nog steeds in het fotocafe vertoefde, met Theo en Frits onder het genot van een biertje de dingen van de dag en de dingen van het leven lieten passeren. God wat is het mooi! De hemel die op mij neerkijkt, een lantaarnpaal die het geheel van een gloed voorziet en het gras dat ik bekijk vanuit het kikvorsperspectief. Het zijn wat wezenloze kleuren en onderwijl ben ik me bewust van het water dat zich meester van mij probeert te maken. Mijn lippen dalen naar het zwarte wateroppervlak en even word mij de moed ontnomen. Het is slechts een kwestie van mijn kop te laten zakken, lippen te openen en niet veel meer te doen dan dat stinkende water door mijn keelgat te laten gaan. Even slikken en dan… een geur van bederf doet er alles aan om deze gedachte te bederven. En weer roep ik God aan als de eerder genoemde kreet: ‘Godverdomme,’ niet veel later herhaaldelijk gevolgd door het woord ‘kut’ Mij vocabulaire schiet gruwelijk tekort, evenals mijn stilstaande handen waar ik wat verbaasd naar kijk. Toch moet ik die grasstrook halen, proberen daar grip te krijgen op een enkel grassprietje en mijn handen desnoods in het talud te graven, gelijk een blinde mol zich een weg baant door een tunnel. Want ook dat gevoel bekruipt me: blind, een tunnel, de kracht van gravende klauwen die ontbreekt en mijn algehele verdwazing welke zich meester probeert te maken van mij koude, krachteloze handen. En hoe paradoxaal, koud heb ik het op dit moment niet, zeker in vergelijking met eerder op de avond. Toen was er sprake van een keuze tussen binnen en buiten nu gaat het slechts over leven en dood. ‘Maar ik wil nog niet dood!’ En absoluut niet op deze manier. Besef van tijd verliest ieder waarde en hoelang ik reeds in deze poel verkeer, ik heb waarlijk geen idee. Maar wat ik wel besef is dat de tijd dringt en dat onderkoeling mij wel degelijk als een levensbedreigend gevaar boven mijn hoofd hangt, waarbij de hemel er alles aan schijnt te doen om mij het zo behaaglijk mogelijk te maken. Het zal slechts een kwestie van overgeven zijn…
Neen! Zo makkelijk zal die sluipmoordenaar zich niet van mij meester maken! Daarvoor biedt ook mijn leven nog teveel uitdagingen. Neem alleen al mijn nieuwsgierigheid! Mijn spel met mijn Canon, de avonden die ik nog in De Vest te goed heb, momenten die Ria en ik zullen gaan delen in de toekomst en wij ons blijven verbazen omtrent de schoonheid die Nederland ons te bieden heeft. En wat Kruidvat nog meer in petto heeft. Daar ben ik me niet direct van bewust maar weet ik wel dat ik er verdomme uit zal gaan komen, hoewel het water er alles aan doet zich van mij meester te maken. Mijn kleren mijn gewicht nog meer laat groeien en ik geen idee heb hoeveel kilo liters water ik straks de kant op zal moeten gaan zeulen. En het is de kracht van mijn inwendige stem die mijn rechterhand ook naar het talud weet te sturen. ´Je kunt het wel, Wik, je zal wel moeten. Je hebt nu eenmaal geen andere keus, dus kom op, je bent nog te jong om je te laten kisten!´ Maar dat schrijf ik een dag later, nog geen vierentwintig uur na die ervaring, een ervaring die er ook nu weer toedoet. Want als ik nu stel dat het, wederom, mijn tijd nog niet was, is dat een gemeenplaats in de wetenschap dat de man met de zeis het ook dit keer moest afleggen, maar onverbiddelijk ooit zal toeslaan.
Het is stil op de Friescheweg, geen brommer die passeert, geen fietser die een kijkje komt nemen. Alsof het alledaags is dat er een fiets, omgekeerd in het talud aan de slootkant hoort te liggen. En ik realiseer me terdege, dat ik het helemaal alleen zal moeten doen…
Ik krijg greep op een graspol en houd vast ´hou vast!´ Maar met dat ben ik er nog lang niet. Mijn schoenen zoeken onder water vertwijfeld naar een opstapje. Van een trap kan dit keer geen sprake zijn en ik heb ook geen idee hoe ik mijn lichaam uit het water zou kunnen zeulen waardoor de gedachte het ´op te gaan geven´ zich met een glimlach van mij meester probeert te maken. Opnieuw grom ik er een ´Godverdomme Wik het gaat niet gebeuren´, uit. Om hulp roepen heeft geen zin. Niemand zal mij horen en ik alle krachten dien aan te wenden om de kant op te gaan. Want dat ik de kant op ga, is voor mij nu wel duidelijk. Onderwijl begint de omgeving steeds meer in kleur toe te nemen. Of komt het door de omstandigheid waaronder ik ben komen te verkeren. Een vraag waarbij ik op dit moment betwijfel of deze er wel toedoet. Geenszins en ik richt me weer op de graspol, blijf zoeken met mijn rechtervoet en stop wanneer ik een uitsparing ervaar. Verplaats mijn gewicht langzaam op die uitsparing die, wonderwel, niet afbreekt en in staat blijkt te zijn mijn gewicht te dragen. Langzaam kruip ik met mijn bovenlichaam het talud op, terwijl mijn handen zich als de zuignappen van een zeester zich in het gras blijven vasthaken. Aan alle kanten druipt het water van mij af en de grondtoon van de blubber vergezeld mij op die weg naar boven. Niet veel later sta ik op het voetpad, ontferm mij over mijn fiets en besluit mijn weg te vervolgen…
Druipend, trillend en meer dan doorweekt vervolg ik mijn tocht. Ik heb geen enkel idee of ik wel thuis zal komen, maar weet dat ik zeker die weg zal moeten gaan. Het tunneltje onder het spoor lonkt en met een lichte vorm van euforie probeer ik mijn weg te vervolgen. Mar dat ik in deze toestand thuis zal arriveren, blijft ongewis. Maar de poging niet gewaagd,heeft veel weg van een verliezen. En van verliezen kan, in deze situatie, nu geen sprake zijn. Ik heb al de smaak van een overwinning mogen proeven en zie uit naar de volgende. Die euforische toestand lijkt zich verder van mij meester te maken.
Even later zijg ik neer…