Rob Stam en Reflex


iGer.nl
EEN MENING OVER HET OPLEIDEN
Vraagt men docenten naar hun mening over het opleiden van jongeren, dan zal menigeen rimpels in het voorhoofd krijgen. Je zou je kunnen afvragen wat de oorzaken van zo’n zwaarwichtige houding zijn. Ik geloof dat het hier om een adequate houding gaat, want de vraag is zeker een ernstige overweging waard.
Vat je het onderwijs op als en belangrijke zaak, dan ga je nadenken over het doel van het onderwijskundige bezig zijn. En zodra je je realiseert, dat het doel direct in verband staat met het functioneren van de leerling in breder maatschappelijk verband, word je ernstig.
Ik vind het erg belangrijk dat we elkaar zoveel mogelijk informeren over onze doelstellingen en bedoelingen, omdat het vaak voor de toekomst belangrijke consequenties heeft. Doelomschrijvingen zijn en noodzaak voor een goede samenwerking. Ik zou het hier eigenlijk speciaal willen hebben over het verband tussen de leermotivatie van de leerling, de houding van de docent (begeleider) en de onderwijskundige doelstelling. We vinden dat de jongeren in hoge mate anders zijn dan vroeger. En met dit anders zijn bedoelen we dan ongeveer: “een overmatige kritische houding ten aanzien van zowat alles, met nog een flink brok fatalisme ten aanzien van de toekomst.”
In dit licht moeten we aandacht hebben voor de omstandigheid dat jongeren in het algemeen erg gevoelig zijn voor bepaalde stromingen in hun directe omgeving en zich hiermee vlug conformeren. Wat betreft dit overmatig vlug overnemen van gedragingen zou ik willen stellen dat onder de ouderen (ook oudere leerlingen) een flinke dosis pessimisme voor de toekomst aanwezig is.
We beïnvloeden elkaar over en weer met een houding van fatalisme en berusting. Is het te verwonderen dat veel leerlingen twijfelen aan de zin van een opleiding, die hen voorbereidt op een plaats in een dubieuze samenleving”


iGer.nl
De reden dat ik wat langer heb stilgestaan bij deze pedagogische kwesties, is het nauwe verband tussen het opleiden en het opleidingsklimaat. Dit natuurlijk direct gekoppeld aan de leerresultaten, het praktijkcijfer en de examens. Het is een stuk verantwoording – vooral van opleiders en begeleiders om een stuk onzekerheid over zichzelf en omgeving over boord te zetten. Hiermee bedoel ik niet een gezonde twijfel, die alleen maar de jongeren actiever maakt en doet groeien. Gebeurt een en ander alleen in de leslokalen, dan krijgt men een eilandsituatie. Iemand die een ander iets wil leren zal een positieve grondhouding moeten aannemen. Niet alleen ten opzichte van de leerstof, maar niet het minst ten opzichte van de eigen persoon en toekomst. Het is een houding die door alle didactische schema’s straalt. Dus hoe perfect het lesplan en opzet ook mogen zijn, het slagen van de les is afhankelijk van de houding van de docent.
Het is misschien verstandig aandacht te schenken aan de uitgestrektheid van de leersituatie. Over het algemeen is het zo, dat de leerling in de leslokalen niet aan verwerking van de leerstof toekomt. Dit heeft te maken met de aard van de stof, die speciaal op de praktijk is gericht. En hiermee komen we dus automatisch op de kwestie van de praktijkbegeleiding. In mijn ogen ligt de grootste onderwijsverantwoordelijkheid in de werksituatie. De leerling brengt het grootste gedeelte van z’n opleidingstijd door in de praktijksituatie. Natuurlijk heeft het hele probleem ook te maken met bijscholing, een kwestie die ook landelijk veel tongen in beweging brengt. Het laatste woord is hierover nog niet over gezegd. Naar mijn mening zou een deel van deze moeilijkheden tot een oplossing te brengen zijn, als er meer belangstelling was voor vakliteratuur. Ik zou zelfs zo ver willen gaan, dat het lezen van literatuur over het vak voor iedere werker een soort morele plicht is geworden. We hoeven niet tot in de kleinste onderdelen van het vak door te dringen. Als we elkaar maar kunnen verstaan op een zo breed mogelijk vlak.
Tenslotte moeten we ons afvragen wat we op de leerling willen overbrengen. Je gaat dan zoeken naar een beetje stevige doelstelling van het onderwijs. Was vroeger de opvatting over het leren zuiver een kwestie van het overdragen van kennis via het verstand, nu trekt men meer persoonlijke aspecten bij het leerproces.
Carl Rogers heeft veel aangedragen voor deze nieuwe onderwijsdoelstelling. Hij is een groot voorstander van een leersituatie waarin de leerling dingen leert, die op dat moment voor hem zinvol zijn. Hier wordt dus uitgegaan van een persoonlijke motivatie van de leerling.
Ga ik weer even terug in m’n overpeinzingen, dan kom ik opnieuw terecht bij het gesignaleerde pessimisme van ons ouderen. De overgevoelige leerling zal als het ware geïnfecteerd worden met ons gebrek aan creativiteit met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen, waardoor de zin van de leerstof (die toch in die toekomst wijst) verloren gaat.
Rob Stam, nog steeds in de eerste jaargang van Reflex nummer 4.


iGer.nl
‘Het is met een zucht van verlichting dat ik afscheid neem van deze school. Mijn eindexamencijfers berusten op een misverstand, het misverstand dat die het bewijs zouden leveren van mijn intelligentie, zoals de directeur kennelijk denkt. Ik moet u bekennen dat ik al die vijf jaar niets heb geleerd, niets heb begrepen van de samenhang tussen de feiten die mij werden gepresenteerd. Mijn cijfers zijn niet meer dan het resultaat van een goed geheugen. Om goede eindexamenresultaten te behalen hoef je niet meer te doen dan alles uit je hoofd te leren. Met begrip heeft dit onderwijs niets te maken. Ik ben me ervan bewust dat dit niet de schuld van de leraren is, die ik hierbij allen hartelijk dank voor hun inspanningen, maar het onderwijssysteem waar zij deel van uitmaken. Dat systeem zou nodig op de helling moeten. Feiten kan men opzoeken, de samenhang, de diepere betekenis niet.’
Max knikte kort naar de directeur, wiens schedel dieper glom dan ooit. De goede man wist niet hoe hij moest reageren, sloot de bijeenkomst met een paar haastige woorden van dank af en wenste alle aanwezigen een zonnige toekomst en een prettige vakantie.
Uit: J. Bernlef, De onzichtbare jongen, blz. 99.
Bernlef laat deze toespraak in 1952 aan de orde komen. 20 jaar later gunt Rob Stam ons zij ideeën. En beiden hebben het over onderwijs. Beiden pogen het bed van onderwijs van lakens te voorzien. Van dekens desnoods. En beiden proberen dit te doen vanuit een vergelijkbare hoek. De leerling.

De jongere. De hongerige. De blaag desnoods. Ook ik heb me daar jaren in gewaagd.

Die leeuwenkuil. Dat zoeken om te kunnen benoemen van dat vaak onbenoembare.

De vooronderstelde eigenheid. Van dat individu. Van dat individu in relatie tot die anderen.

Het benoemen van de overeenkomst. Want het verschil was veelal wel duidelijk.

Het bewerkstelligen van die mogelijke ontmoeting. En het wagen op glad ijs. Breekbaar ijs.

Het behoeden. Als daar dat moment was waarop zich dat dunne laagje ijs ging vormen.

Juist dat moment verloren gaat. Door te wijzen op ‘t is tijd!’ Ik mijn sarcasme botvier. Door haar hartstochtelijk te bedanken. En zij met zeven pas laarzen het lokaal verlaat. Alle anderen in verwarring achterlatend. Als eerste aan de koffie zit. En hogelijk verbaasd is dat de overigen haar negeren. De discussie oplaait. En zij er geen barst van begrijpt.


iGer.nl

Onderwijs. ‘t Heeft wat. ‘t Houdt wat. Maar is het ook wel wat”