reizen…

in de tijd. Want eerder refereerde ik aan Martin Bril. Kon hem niet vinden. Tot…
4 mei Dodenherdenking. Ook aan Bril gedacht. En gevonden. Het eerdere verhaal.
Wil JU dit niet onthouden. Om het feit dat Marry en hij beiden 50 hadden kunnen zijn.
Qua bouwjaar. Zij wel. Hij niet. Ook symbolisch die foto toen. Zittend op een trap.
Halverwege. Achter hem een stapel boeken. Voor hem de weg. Terugkijkend naar beneden.
Down to earth”! Een tekst. Met een tweetal foto’s. Een van Trudy. Een van een Shay.
De werkelijkheid en het model. Verkleinde weergave van de werkelijkheid. So what”

20090504-1241465619N0405shay1180

Een kijkje terug. In een recente episode. Een vorm van bevrijding.
Zeker na gisteren…

‘Hoe gaat het met je…’
En ik reageer… vertwijfeld kijk ik om mij heen op zoek naar mij toereikende handen en zie…

verdwaasd en enigszins verwonderd weet ik een antwoord bij elkaar te stamelen.
‘Wel redelijk goed’, een omschrijving uit mijn verleden waarvan de reikwijdte
niet verder reikt dan waar de waarheid wijkt.

Ik heb me, voor dit moment, uit de situatie gered maar schuw zeker het moment waarop een ander weet door te dringen.
Ik hul mij het liefst in het stilzwijgen waar ik, (on)bewust een abonnement op heb genomen.
En in hoeverre het onbewuste nog als excuus kan dienen, ook die vraag laat ik het liefst onbeantwoord.
Want ik las een stuk van Martin Bril en vond dit stuk jant.
Zoals ik de laatste dagen wel vaker jante stukken of zinnen ben tegengekomen.
Het houdt mijn geest levendig en mijn gedachten op de been.
Bril heeft geen zin om ‘publiekelijk dood te gaan.’
Op de vraag hoe het nu met hem gaat, antwoordt hij:
“Dat weet ik eigenlijk niet. Ik voel me goed momenteel, maar medisch gesproken gaat het slecht.
Zolang je wordt behandeld is er altijd hoop, dat is het rare.
Ik geef niet gemakkelijk op en ik ben bereid om heel diep en heel ver te gaan.”

Bril komt uit 1959, gelijk mijn zus en schoonzus.
Maar waar zij zich op Sarah verheugen leidt Bril al een soort van pensionado-leven:
tot de hoek en niet verder. “En dat is echt irritant!”

Bril nam zich, bij zijn aantreden bij de Volkskrant voor om in tien jaar tijds,
of omgerekend in 3200 columns, een kroniek van Nederland te schrijven. “Niet zomaar elke dag een stukje.
Het moest iets groots zijn, voor de eeuwigheid.”

“Die tien jaar, dat wordt dus nu iets korter.
Ik heb geen voorraad columns, nooit gehad ook.
Ik heb geen flauw idee waar ik vanmiddag eens over ga schrijven.”

En ook deze opmerking spreekt mij aan.
Want ik loop veelal met vergelijkbare momenten te ‘klooien.’ Alleen nu even niet.
Of liever gezegd wat minder. Door een systeem wat een eigen koers vaart, andere wetmatigheden naar voren brengt.
Ook ik ben ijdel en egocentrisch maar, gelijk Bril, in mijn werk die iemand die vanaf de zijkant toekijkt.
De observator van mijn eigen gedrag, mijn eigen lankmoedigheid.
En hoewel iedere vergelijking, per definitie, mank gaat, houd ook ik van mijn werk.
Daarnaast houd ook ik mijn eigen pretenties tegen het licht aan.
Ook ik neig momenteel naar oppervlakkigheid, in de zin van: g””n diepzinnigheid.
“Er gebeurt aan de oppervlakte veel meer dan mensen denken. Dat komt omdat ze niet uit hun doppen kijken.
De oppervlakte, de schijnbare oppervlakkigheid, is voor mij al diep genoeg.”

Hetty van Rooij interviewde Martin Bril.
En dit artikel verscheen in de Plus bijlage van de Alkmaarsche Courant.
Maar er viel meer te melden.

Ook Hans Visser is zo’n wekelijkse columnist. Zijn bijdrage is getiteld: Albert Mol.
“Kort is de roem”, zei de cabaretier Wim Kan.
Hij had gelijk want wie kent hem nog” Ja, ik natuurlijk.
Die thuis op lang vervlogen oudejaarsavonden meemaakte dat de televisie uitging,
waarna we met onze hoofden ‘in de radio kropen’ om hem grappen te horen maken over politici
die nu zelf ook al lang vervlogen zijn. Wim Kan relativeerde zijn roem destijds al in een sketch.
Terecht, want al kort na zijn dood ontstond er ruzie over het beeldje van hem en zijn vrouw Corrie Vonk.
Het was te lelijk en daarna kwam er ruzie over op welke plek waar het zou moeten staan.
Bij de gratie Gods mocht het naar Scheveningen waar het aandoenlijk staat te zijn tussen drommen onoplettende badgasten.

Een ander slachtoffer is/wordt Albert Mol, de man die de nichterigheid in de film Fanfare in beeld bracht.
Giethoorn heeft deze held bedacht en is trots op dit beeldige beeldeke.
Het Gelderse Laren zou nu ook graag een beeld van de kunstenaar / kunstenmaker
aan zijn oeuvre willen toevoegen, maar…

Er komt opeens een ander verhaal naar voren omtrent Albert.
Op straat wordt de kleine magere danser en acteur aangesproken door
een grote dikke Amsterdamse vrachtwagenchauffeur.
Hangend uit de hoge cabine stelt deze de vraag: “zeg drol, wie heeft jou gescheten””

En Hans Visser stelt dat dit een mooie tekst voor op de sokkel kan zijn.
Zegt veel over Albert, is goed voor de legende en dus ook voor de levensduur van zo’n beeld.
Want zelfs in brons is een beroemde dode zijn leven niet zeker. Net als die ander.
Ene Rudie Kesselaar. Een postzegel als pleintje en zijn postzegel die is verbronsd.
Het is dat er een aanwijzing te vinden valt…

Anders zou de vraag kunnen luiden:
Hoe gaat het ook weer met…

ONDERWEG

Zoveel duizend
wezens
op mijn weg
naar
het station hul ik
mij
in stil zwijgen.

Licht
aanraking
een persoon
het wezen
mens,
gestalten als
ik het
balkon met
een bekende
ander
deel.

Trein,
zo vol geladen
wezens
op hun weg

ligt
vast
de toekomst

achter zich

gelaten.

20090504-1241464312Nkeulentrudymei09
Koln, foto Trudy.