Rauw.

Verwijlen in de tijd van toen, ik deed het met wat ongekend fatsoen. Van alles stond op de helling, normen en waarden werden tegen het licht gehouden en veranderingen waren schering en inslag. Systemen werden aan kritische blikken onderworpen, van directe afbraak was geen sprake en desondanks voltrok zich een interne revolutie. De mens werd zichtbaar, de dokter verloor zijn macht en ook de verpleegkundigen konden zich niet meer verschuilen achter het uniform. De spelden verdwenen op termijn en schutkleding kwam als bescherming over het burgerkloffie heen. De spijkerbroek verving de grijze broek, de mens werd op zijn gedrag aangesproken en van een patient was geen sprake meer. De eigen verantwoordelijkheid deed zijn intrede, alleen de weg daarnaartoe bleek nog jaren te gaan duren. Alleen de pillen bleven een belangrijk deel van de therapie bepalen. Nieuwe medicijnen werden uitgeprobeerd, de gesloten afdeling bleef zijn functie houden en van de isoleer werd nog met grote regelmaat gebruik gemaakt. Hoewel ook daar een onderscheid in te ontdekken viel: de separeer dan wel een ‘time out’ maakte als eufemisme zijn opwachting. De slaapkuur was nog onderdeel van een behandeling in die situatie waarbij alle andere interventies geen soelaas konden bieden. En dat is slechts een krappe halve eeuw geleden. Dan dient zich de ontmoeting aan en wordt een poging ondernomen om de tijd van toen te overbruggen naar het moment van nu. Bijzonder, zoals ooit dat B-diploma voor Bijzonder stond. De overgang van de Krankzinnigenverpleging naar de B. Waar een terugblik garant blijkt te staan voor stemmen uit een verleden,een gemeenschappelijk verleden wat de tijd van toen voor even actualiseert. En ook dat staat weer garant voor die B. Het heeft mij gevormd, het heeft mij gebracht naar dit moment, het moment NU. De rijkdom die ik me toen niet realiseerde omdat ik mij middenin die maalstroom bevond. De wervelingen gepaard gingen met heftige emoties, de herinneringen zich pas achteraf voordeden en de scherpe kantjes waren afgesleten. Het maakte van mij een ander mens, of de mens die ik tegenwoordig ben. Dat klinkt heel pedant, maar ik kan daar niet omheen. Juist de gekte kreeg in zekere zin vat op mij, waardoor gewoon bijzonder werd en bijzonder gewoon. Uitwisselbaar in gegeven omstandigheden, in ongewone situaties die zich toen voordeden. Het bracht inzicht en er doemden steeds opnieuw vragen op. Omtrent zijn, leven en niet in de laatste plaats invulling van een leven. Mijn leven in de relatie met die van anderen, het vergelijk en geregeld ook de onvoorstelbare eenzaamheid die zich voordeed bij ‘de ander.’ Een samenzijn in stiltes die zich voordeden, de leegte die zich niet liet vullen, het gevecht dat de ander moest doorstaan, dan wel de strijd die werd verloren. De dood als het ultieme einde… het ‘Mors Ultima Linea Rerum.’ De dood als uiterste grens der dingen. Eerlijk zijn is rauw. Hetgeen je ook als zodanig op je dak kan vallen. Echter niet wanneer je constateert dat je iets gemeenschappelijks kunt delen. Dan wordt het anders: een anders delen!


IMG_0062


IMG_0061


IMG_0060


IMG_0059


IMG_0058


IMG_0057