opportuun

Als een eiland. Losgeslagen. Overgeleverd aan de elementen. Razend. Verwilderd. Tollend. Draaiend. Wervelend. Dollend. De vraag alleen met wie” Waarom”
Het middelpunt in een onmetelijke plas. Alles ondergronds. Vloedgolven die elkaar proberen te verdringen. Woest struikelend over een voorganger, een achterblijver in hun vaart vernietigend. Krachtig veerkrachtig en dan weer lui en onaandoenlijk. Bijkans verongelijkt. Nog even en het is weer dat prachtige Bounty eiland waar de folders vol van staan. Waar de kokosnoot met een doffe klap smakt en je die smaak bijkans je papillen voelt kussen. Vocht dat langs je mondhoeken druipt. Je wakker wordt door de smaak van water.


iGer.nl
Al eerder speelde ik met deze gedachten. Waren op dat andere moment zeer opportuun. Betwijfel ik of mijn huidige gedachten vergelijkbaar zijn.Want als het in de kop maalt, is het zeer de vraag of dit wel gunstig uitpakt. Gaat de gedachte vlieger niet op. Gaat zelfs de gedachte aan die vlieger niet op. Want ik greep tevergeefs naar mijn rechter borstzak. Voelde niet meer dan een borstzak. Zonder iets dit keer. En kon het verder wel schudden. Geen foto’s van stiletto’s. Geen foto’s van poppen bij daglicht. Geen straatleven wat bruisend vol leven leek. Edoch de kou iets van een geseling had. De winter die nog niet geheel wil wijken. De stad die de zondagsrust verstoorde. Het publiek dat winkelde. Zich ogenschijnlijk niet veel aantrekt van de voorspellingen van het CBS. Een toenemende inflatie. En een uitverkoop die zich kenmerkt door een 75 % korting. Waarbij de gedachte ‘geen geld’ getuigt van een zeker opportunisme. En ik me daar ‘gewis en welzeker’ mede schuldig aan maak. Het heeft dan ook te maken met een vorm van eigenbelang. Het belang dat ik vertegenwoordig en waarbij de ander, in zeker opzicht, een tweede dan wel derde viool zou mogen spelen. Voor zover mij dat uitkomt. Toch zal ik dit met een bepaald gevoel van onbehagen naar voren laten komen. Sluit ik een zeker welbehagen uit. Want stel je nu eens voor. Als je je dat dan voorstelt, is het, per definitie, ook weer niet goed. Dus kun je het beter laten.!
Kocht wat boeken. Bij van der Meulen. En maak mij op dat moment schuldig aan het volgende. De niet te beantwoorden vraag wat daar nu weer mee te doen. Achter die vraag gaat die andere schuil. Wat daarmee aan te vangen op het moment dat de betrokkene er niet meer zal zijn. Een opkoper van kilo’s laten komen” Een volgende inventarisatie die een rol kan gaan spelen” De mogelijkheid om, wat een verzamelaar typeert, een onafzienbare rij van zaken aan het oog dan wel aan de hand te onttrekken” Want juist dat is wat de verzamelaar typeert. Het bijeen schrapen van zaken, die niet zichtbaar bijdragen aan een algemeen belang. En waar de vraag op het eind een wezenlijke rol gaat spelen. De vraag van het ‘loslaten.’
Je kunt soms je ogen niet geloven. Je staart in het duister en ziet licht. Allicht dat je licht ziet, indien je de schakelaar weet om te zetten. Maar veel lastiger wordt het als je tast in het duister. Of licht wat door een duistere kamer schemert.


iGer.nl
Een geluid wat zich niet laat bepalen. Onherkenbaar. Ongenaakbaar. Onzichtbaar voor wie er geen oog voor heeft. Onbenoembaar. Ongenietbaar. Voor hen bij wie het van de oren afhangt En dan, in de laatste plaats, onaantastbaar.

Een orgie van mystieke klanken doet de duisternis verdrijven. Een storm loeit aan, rukt aan de lakens en scheurt de dekens van het bed. Als verdwaasd sta ik in een oogwenk op een kleed wat met mij wegdrijft. Een eigen weg weet te bepalen en ik laat mij, willoos, meedrijven.

Ik ben mijn eigen almacht voorbij.

Ik dien als slaaf van het onbestemde.

Ik ben ontheemd; mijn plaats laat zich niet bepalen.

Ik ben onkwetsbaar; ik besta en besta ook niet.

Ik drijf weg en blijf op mijn plaats.

Ik ga en ga ook niet.

Ik zie en weet niet meer te verklaren.


iGer.nl
En als ik staar naar ginder eiland vertroebelen mijn tranen. Weten mijn ogen van wijken en blijven doelloos kijken. Want wat zij zien, zij raken mij niet. Mijn zijn kent geen eigen ik.

Ik ben mezelf kwijt. Ik ken mijzelf niet.

Ik hef mijn hand en ook weer niet. Ik tel mijn vingers.

En laat het zand als water tussen mijn vingers glippen.

De zandloper zet een spurt in. Alsof de taille van de loop zich weet aan te passen. Tijd verglijdt. En wat een kaars was, gaat als vlam meer flakkeren. Geel wordt blauw en groen wordt rood voordat het licht wit flikkert.


iGer.nl
Waan. Waanzin. De absolute waanzin en de zinnigheid in top. Omdat het leven zo geleefd moet worden. Het leven en niet zozeer mijn leven.