Onverklaarbaar

ONVERKLAARBAAR. In het licht / van de nacht / hout / dat hij bij elkaar / zocht, / gedachten die / ijl het heelal / opzochten, // verlicht een helder / ver licht de nacht // die hij onverklaarbaar / vond. De nacht hangt aan mij als een hond die aan mijn broekspijp hangt. Alsof deze zijn tanden in mijn stof heeft gebeten en niet veel meer weet te doen dan zich vooruit te laten sleuren. En of ik de hond een worst voorhoud, of ik hem probeer af te schudden dan wel dat ik een stok zoek om hem te slaan, het beest weet van geen wijken. Misschien doe ik er goed aan om dat beest te gaan knuffelen, maar daar staat dit keer mijn pet niet naar. Ik houd niet van honden en vind katten daarentegen veel aansprekender. Simpelweg door het feit dat katten zich kenmerken door hun eigengereidheid, hun eigenwijsheid en het feit dat deze dieren geen kunsten vertonen, laat staan dat ze kunstjes zijn aan te leren. Een kat spreekt mij aan, wanneer deze besluit om zijn slaap om te zetten in het uitgebreid strekken van zijn poten. Zich te beklagen wanneer zijn eten niet klaar staat en er niet tegenop ziet om een karbonade die op het aanrecht ligt te gaan verschalken, een mus die zich niet op tijd uit de voeten maakt of van een duif niet veel meer overlaat dan een bosje veren en een enkele bloedspetter…
Woensdag, 17-05-’17.


IMG_0145


IMG_0170