'n niemendalletje


iGer.nl
Het knispert. Knespert. Knaspert niet. Dat kan ook niet. Want bij de ontdekking van de dingen die ertoe doen, valt het niet mee om daar woorden bij te vinden. Dan slaat de mond vaak dood en is het niet meer dan de beleving die een rol gaat spelen. Want men heeft de mond vol van beleving. Men komt ternauwernood aan kauwen toe. En met een mond vol valt er weinig te vertellen. Laat staan te praten. Te delen met elkaar. En kan men het mededelen laten. Gaat de toon verloren achter de tong die al eerder het zwijgen ertoe deed. Is de stilte slechts te pruimen. En laat men nog meer dingen na.


iGer.nl
Ik laat, verlaat, wat sporen achter. Laat de twijgen druipen. Laat het kaarslicht vlammen. Rond mijn mond en blaas. Als dat kleine duimpje mij niet in de weg zat, zou ik nog even willen duimen. Verdwaasd wat rond mij heenkijken. Met een ‘toddeldoek’ in mijn vuistje. Waar niet veel later de kaas uit verdwijnt. Droom ik mijn kinderlijke fantasie en verwijt men mijn naieviteit. Niet dat ik immer zo naief ben, hoewel ik toegeef alle schijn tegen te hebben. Zie ik een ander klein duimpje. In het zwart. En een kale tak die zich hult in lamplicht. Een stam begint te zweten. Een oksel loopt leeg. De geur van een plantage doet zich voor. Wiet.


iGer.nl
En ik weet niet waar ik mijn hoofd moet laten. Kaarsrecht loop ik, in de lucht. Op wolken laat ik mij dragen en ga niet verder dan het licht dat mij toeschijnt. Wat mijn gezicht verlicht. En ondertussen dansen de japonnen. In toe en afnemend licht. Een kaars flakkert nogmaals, dan is het uit. De ruimte laat zich raden. Een kamer zoekt zich een weg. De kamer kraakt met kreten in het hout. Geen alledaagse gebeurtenis. Gebeurtenissen zijn nooit alledaags.
Het laat zich niet voorspellen. De rijstebrij die in een woordenbrij overgaat. Alsof het zoete van de hoorn scheep gaat naar de oost. De west zich kenmerkt door het licht wat duistert. De zon die ondergaat. En men zich weer ter ruste legt. De dag vergeten, de nacht in het vooruitzicht. De tijd die zich laat raden. Tijd. En de ultieme vergangenheid.


iGer.nl
Niet dat ik zomaar deze woorden kan bedenken. Ik denk dat mijn duim een ongekende bron van mogelijkheden kan bieden, vermits ik daar op kan blijven zuigen. In figuurlijke zin. Want de letterlijke zin ontgaat mij volkomen. Dat stel ik uit. Tot later wanneer Alouis mij om rekenschap gaat vragen. Mij de kunst van het vergeten bij gaat brengen. En waar het vernuft van de geest mij op wegen gaat leiden vanwaar de gekende herinneringen in ongekende momenten overgaan. En met deze wetenschap ga ik nu, met een gerust geweten en een uitgerust gemoed mij overgeven aan Morfeus armen. Dacht ik. Dacht dit even te denken en bedacht me toen. Nagels krassen op de ruit. Mijn rust verstoord. Mijn fantasie die in werkelijkheid overgaat. En de illusies die ik achter laat. Gedachten gedacht en kwijtgeraakt.
Geen sporen die ik achterlaat.