'Ik geeuwde, maar gaapte de dag niet voorbij.'

20091117-1258465896N1910herfst570

‘Ik geeuwde, maar gaapte de dag niet voorbij.’
Wat een pracht van een regel om daar vandaag mee van start te gaan. Nadat gisteren mij de gelegenheid
bood om mijn gedachten over dat onzinnige van mensen naar voren te kunnen brengen. Want ook die
vraag zal altijd wel overeind blijven: ‘wat beweegt mensen”‘ Het ene moment is daar de afhankelijkheid
van dat blik, die magische heilige koe en dat andere moment is het juist het kijken naar wat de blik
dreigt te verstarren. Blik. Dun ijzer, waar ook speelgoed van valt te maken. Blik wat ook groenten weet
te conserveren. En blikken wat staat voor hout schillen; een boom merken waar de bast moet worden
weggenomen. En denk nu niet dat ik deze wijsheden uit mijn mouw weet te schudden: neen, gewoon
een kwestie van een woordenboek openslaan en kijken. Wat weer terugvoert naar die blik: een oogopslag;
inzicht, kijk: een juiste blik hebben. Een juiste kijk erop. Maar ook in staat zijn om te blikogen:
de ogen laten fonkelen. En dat kan ik wel. Want dan verwijden mijn leden zich, komt er een totaal
andere uitdrukking tevoorschijn en dwing ik als het ware de ander in zijn of haar schulp.
Dan laat ik mijn gedachten de vrije loop en zijn ze, per definitie, van een angstaanjagend karakter.
Op het toneel. Thuis. Of waar zich de gelegenheid dan ook maar voor doet. Op mijn werk. Ooit.
Om bang van te worden.

Die blik maakt deel uit van een totaal waar ik, naar behoefte, over kan beschikken.
Waarmee ik mensen weet af te schrikken of waardoor ik probeer duidelijk te maken waar mijn grens ligt.
Of waar mijn grens wordt overschreden. Maar het geeft ook aan waar de kwetsbaarheid van mij zich
voordoet. De aanval als het ware wordt gecoupeerd. En de reden niet altijd even duidelijk is. Of zuiver.
Het gaat dan ook veelal om emoties. En emoties kenmerken zich geregeld door het opstapelend karakter.
Een veelheid van factoren wat ervoor kan zorgen dat de draad niet zo zichtbaar, meer op de achtergrond
verscholen raakt. Maar wel degelijk een rol in het geheel speelt. En de energie waarmee het gebeuren
dan weer gepaard gaat. Energie vretende ogenblikken die momenten van de tijd weten weg te vreten.
Omdat tijd dan weer ondergeschikt raakt. Uit beeld verdwijnt. En soms de vraag beantwoord dient te
worden hoe lang die situatie dan zou hebben geduurd. En de schattingen uiteen lopen: voor de één
een paar seconden voor de ander eindeloze minuten. Uren desnoods. Waardoor naar voren komt dat
ook beleving een uiterst rekbaar begrip is. Denk ik, en maak me op om straks de telefoon te pakken.
Te gaan bellen. En gelijktijdig worstel met de vraag hoe te beginnen. Dan maar weer de moed enigszins
laat zakken en mezelf dan toch maar die schop dien te gaan geven. Door een andere keuze te gaan maken.
Ik gaap. En ik geeuw. En de zon begint te schijnen. En het is minder koud. Al waait de wind.
Wat niet alleen bij dit jaargetijde hoort maar ook bij de emotie juist in deze dagen.
Het boek wat Douwe Egbert weer heeft doen verschijnen: nu van de hand van Paul de Leeuw.
‘Voor jullie tien anderen!’

‘Voor ons tien anderen…’ mompelden de Pieten. ‘Het moet niet gekker worden. Sinterklaas en wij…
Wij horen bij elkaar. Als water bij de zee. Als koffie bij een koekje. Als Bert bij Ernie.’
‘Tien anderen… Waar haalt hij die vandaan”‘
Dat is inderdaad een probleem voor Sinterklaas die in een boze bui al zijn Zwarte Pieten de wacht
heeft aangezegd. Dan krijgt hij opeens een geweldig idee! Hij gaat samen met Amerigo, zijn trouwe
schimmel, nieuwe knechten zoeken in de dierenwereld.

‘A la recherche du temps perdu.’ Want ook Kees van der Malen is in die wonderstroom van de tijd terecht
gekomen. Door een kiekje. Een jeugdfoto – nog in zwart-wit en met een mooi kartelrandje eromheen.
En stelt dat “fotokiekjes het belangrijkste hulpmiddel zijn bij de acceptatie van de onvermijdelijkheid dat
je als kind ooit je ouders verliest.” Het overlijden van zijn moeder maakte mij van kind van mijn ouders
definitief tot ouder van mijn kinderen. Misschien wilde ik er nog niet aan dat ik vanaf nu de oudste
generatie ben in de familie. Wees. En iets verder stelt hij: “dat het grasduinen in mijn ‘wonderjaren’
troost en voldoening geeft. Ik wist dat ik er mijn moeder niet mee terugkreeg, maar ik wist wel iets
beter hoe ik ben grootgebracht en gevormd. Ik begreep ook iets beter dat ieder mens deel uitmaakt
van een generatie, die anders aankijkt tegen het leven dan voorgaande generaties, en ook anders
dan volgende generaties. Met alle misverstanden die dat oplevert.”
Zijn conclusie luidt als volgt: ‘het overlijden van mijn moeder is daar een stimulans bij
(kijken naar de wonderjaren). Zo cre”ert ieder overlijden in zekere zin nieuw leven.
En dat vind ik persoonlijk een mooie gedachte. Of, zoals de dichter Vasalis het verwoordde:
‘Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd”‘

Blik

De weg is lang
slingert door
de olmen ruizen
gesloten koor
de halmen wuiven
bewegen en
de dieren schuilen
keren in
de machine ratelt
vult de rust
de banden malen
grond gekust
de bladeren vallen
composteren
de kringloop stokt

maar ik zag niets.

En ook deze bovenstaande regels hebben ooit dit log gehaald. Gingen in de tijd verloren.

Gingen in de tijd voorbij. Maar stonden daar.

Bij wikswegen wat mogelijk nu als deel I ergens is bijgeschreven of onder weg verloren is gegaan…

20091117-1258465587N0909stuw319