I.M.

Toch blijft de dood een ongekend fenomeen. Althans voor de levenden. En laat ik de overlevenden buiten beschouwing. Tenminste in die zin dat de dood eigen wetmatigheden stelt. Zoals de dood zich niet laat bedonderen. Zich niet door schijnbewegingen voor de gek laat houden. Zich niets aantrekt van enige vorm van ontkenning. Zich soms sluipenderwijs manifesteert en dan acuut toeslaat. De tijd aan zichzelf heeft. En vooraf weet dat de zeis onontkoombaar is. Je je kunt verstoppen maar altijd weer je schuilplaats vindt. Zich niet om laat kopen. Er niets te dealen valt. Keihard en onverbiddelijk. Soms een verlossing en dan de nabestaanden confronteert met onbegrip. Zich niets aantrekt van eerlijkheid. Laat staan oneerlijkheid. En altijd realistisch blijft. Onder welke omstandigheid dan ook. Meedogenloos regeert. En de mens met de uiterste grens der dingen confronteert. Als een dictator. Als een god. Als de eindigheid. Der tijden.
Stel nu dat je jezelf ergens hebt opgescholen. Zoals je vroeger schuilhokkie speelde en zelfs je adem inhield om je plek niet te verraden. Je afging op het geschuifel wat zich voordeed, de kuch van een ver vriendje, het gejuich wanneer iemand luidkeels buut zegt… Je wachtte af. Je probeerde je kansen af te wegen. En je kon je zo af en toe vergissen. Je hoorde niets, kwam tevoorschijn en daar stond hij dan. Als in het gedicht van P.N. van Eijk. De tuinman en de dood.
Rennen! Voor je leven bijkans. En dat moment van trots, als je het net hebt gehaald. Het gevoel als je het net niet gehaald had. De afgang. Het falen. En de confrontatie met de eindigheid. Van een spel gelukkig. Een spel dat leven heet. En de mogelijkheid om daar een vervolg aan te kunnen geven. Het gegeven dat jij moest gaan zoeken. De vraag waar te beginnen als je uitgeteld was. En de persoon die zich achter jouw rug ophield. Die bekende ongekende.
Je kunt ook schuilhokkie in jezelf spelen. Levenslang. Dan sta je niet stil bij de eindigheid. Dan heeft het er veel van dat ieder moment, iedere dag een wereld van beloften voor je inhoudt. De uitdaging. Werken bijvoorbeeld. Of liefhebben desnoods. Je passie bedrijven. Je storten in lichtzinnigheid. Het uitstellen van je verantwoordelijkheid. Zeker als je jong bent. De wereld aanschouwt op een wijze die recht doet aan jouw zijn. De wereld deelgenoot maakt van jouw zijn. En dit ook met anderen weet te delen. De luchtigheid waarmee je zoekt naar waarheden. Naar fantasie. Naar realiteit. En de pinnen op je neus weet te plaatsen. De grenzen die je opzoekt verschuift. En de dagen waar geen einde aan lijkt te komen. De nachten die overgaan in de dag. En de tijd die tekort schiet. Het uitpersen van meer dan 24 uur. Of de oneindigheid van het verstrijken van tijden. De teleurstelling die door een hartenklop teniet wordt gedaan. Een nieuwe verliefdheid. Opnieuw dat geluk. Opnieuw het ervaren van levensvreugd. En het minder stilstaan bij de pijntjes die je wel bespeurt, gelijktijdig ontkent. Omdat het ontkennen een deel van jouw zijn is gaan worden. De noemer geen tijd. De noemer jezelf als minder belangrijk te zien. Jezelf als de zorger te zien. Degene die hulp verleent. Er niet aan moet denken zorg te ontvangen. Omdat dit niet bij je past. Omdat je het niet kent. Nooit geleerd hebt desnoods.
Dat je je ergens in je bol opschuilt en dat je de omgeving gebruikt om naar jou een zoektocht in te stellen. Alsof je van een pad dreigt af te dwalen en er niet veel meer te doen is dan afwachten. De grote ontkenning. Het simpele bagatelliseren. De helper uithangen. Omdat dit bij je past.
Niet zozeer door het idee niet te weten waar je kijken moet, maar meer de niet te beantwoorden vraag waar naar op zoek te gaan. Naar je eigen ongekende kanten” Naar de vraag waarheen of waar vandaan” Naar geen enkele vraag” Naar leven” Naar dood”
Of gewoon naar niets. Het intrigerende niets wat de mens aan alle kanten weet bezig te houden. Of toch weer iets wat het niets opzij weet te schuiven” De ruimte waarin ik wentel” Of juist de engte die mij in een keurslijf probeert te persen. Niet goed weet hoe hier tegen te verzetten.
Eigenlijk niet weet of ik me hier wel tegen wil verzetten. Het typische vacuüm. Het niet gezegde.
Het onbesprokene. Zwijgen.
Maar ook geen berusting ervaart. Het is niet de weg van het lijdelijk verzet. Er is dan ook geen sprake van enige vorm van verzet. Het is een soort van meedrijven in de beweging die zich voordoet. Als er al sprake kan zijn van een beweging. De vloer waarop ik sta raakt van de rel.
Aan de rol. Of zijn het juist de muren die beweging simuleren” Raak ik nu toch de grip kwijt” Verlies ik de controle”
Of mag ik mezelf overgeven aan de maalstroom van dit moment”
Alsof turbulentie de windstilte weet te vullen. Omhoog en hoger, omlaag en nog lager, de kompasroos die op hol slaat of juist de naald weet stil te leggen.
Dat ik mezelf kwijt dreig te raken kan en mag geen rol gaan spelen in dit spel wat ik, eigenlijk, met mezelf speel. Waarbij ik alle rollen weet in te vullen en dan geen andere pogingen hoef te doen. Alle voors en tegens weet te plaatsen, de regie voer en gelijktijdig alle hoofdrollen weet te vertolken. Te vechten tegen. Ja waar tegen eigenlijk” De dood”
Bijrollen zijn nu niet meer te vergeven. In een volgend moment staat alles stil terwijl ik dreig te vallen. Vergroot juist dit moment mijn doodsangst of mijn levenslust” Ga ik in op de opmerking: ‘vooruit maar weer’ of ‘sta maar stil…’ Wacht hij op mij, de dood” ‘Zielsverhuizing vindt niet na maar tijdens je leven plaats’, stelt Cees Nooteboom.
Zou de man ook last kunnen hebben van dit schuilhokkie fenomeen” Of is de ruimtevrees voor iets anders ingeruild” Blijft het licht dan flikkeren” Misschien wel flakkeren en kan ik mij in mijn schuilhokkie blijven verstoppen”
Omdat niemand mij zoekt” Omdat ik iets en niets niet weet te plaatsen” Of misschien juist wel” Zonder dat ik het zelf in de gaten heb”
Is ruimtevrees mijn angst” Of neem ik dit maar op voorhand aan” Om voor een deel mijn angst onder woorden te kunnen brengen” Om herkenning te bewerkstelligen” Erkenning” Of stomweg om ook dit gevoel te kunnen delen”
Noem het ruimte. Noem het vrees. Noem het licht en noem het duister. Zoek naar een hoek waar je kunt schuilen. Als het even niet anders kan. Als het even kan. Om bij jezelf te rade te gaan.
In het aanzien van de dood. Om nog even dat oude gevoel te ervaren. Van toen.
Naar nu…

RUIMTEVREES

De ruimte waarin ik mijn leven slijt

benauwt me;

de engte

van mijn

ruimte

bied mij de

mogelijkheid

op adem te komen!

Dan gaat het

licht

uit

en

tast

ik

in

het

duister.

donderdag, 25 februari 2011.

Mieneke is om 15.15 uur in de armen van haar grote liefde overleden

en het is stil in mij.

Zo blijft de dood dat ongekende.