HET GROTE NIETS doen.

‘Wat ik het liefst doe”‘, was zijn vraag. ‘Eigenlijk niets’, antwoordde ik, ‘bijzonders.’ Om vervolgens op te merken dat wat lezen, wat denken, een boodschap doen, wat te eten, onregelmatig wat te drinken, de toiletgang erin te houden, te rusten en vervolgens het bed op te zoeken de hoogtepunten waren van alledag. De tijd te zien verstrijken, de dag die de nacht wist af te wisselen, de luchten die zo nu en dan een regenbui erop los liet gaan, het gras te zien groeien, de bloemetjes buiten te zetten en de klikobak op de bestemde plek te zetten, opdat de reinigingsdienst zich over de inhoud kon ontfermen. En voor de rest: niets! Een vorm van bestaan dat menigeen op oudere leeftijd niet direct zal beamen, wanneer de oppas van de kleinkinderen, het vrijwilligerswerk, de gang naar de sportschool, het voorspelbare middagje klaverjassen, het biljartje dat toch de nodige aandacht vergt, de zangvereniging dan wel de volkstuin ook zo de nodige tijd en aandacht weten op te slokken. Om maar niet te spreken van de gesprekken die hij voert met zijn vrouw, voordat deze zich weer overgeeft aan het genot van de beeldbuis. Of met behulp van de mobiel die zij wel, hij niet tot zijn beschikking heeft. De app’jes die zich voordoen, de nieuwerwetse vormen van communicatie waar hij weinig om geeft laat staan dat hij zich heeft verdiept in deze nieuwerwetse communicatievormen. Eigenlijk is hij wel tevreden met de rijkdom van zijn bestaan in vergelijking met de armoede die hij om zich heen ziet. Een tevreden mens telt in zijn ogen voor twee en waar hij in de ogen van de ander niet veel meer schijnt te zijn dan een solitair voortbewegend mens, schenkt dit leven hem een grote voldoening. Meer heeft hij niet nodig en je zult hem niet betrappen omtrent zijn beklagenswaardig bestaan. Althans, in de ogen van een ander wanneer hij zijn leven op dit moment aan hen vertelt. Hij heeft prikkels genoeg in zijn leven gehad, heeft zich ook druk gemaakt omtrent zijn werk, zijn positie, zijn verdwenen passie in de tijd dat hij als loonslaaf niet veel meer wist te doen dan van alles draaiende te houden. Zijn gezin, het eigen huis, het inkomen dat hij op een bepaald moment niet verder zag stijgen en het verlangen om, op een bepaald moment, uit dat keurslijf te kunnen gaan stappen. De wekker, het rap eten van een boterham, de fiets, het station, de trein die veelal vol was, de tram, de entree op zijn werkplek, het bureau, het knopje dat hij bediende om de wereld te gaan aanschouwen, het potlood dat ingeruild werd voor een pen om niet veel later door een printer het resultaat van zijn bevindingen zichtbaar maakte. Die dagen behoren tot het verleden en eerlijk gezegd, hij mist ze geen seconde. Nu loopt hij te genieten, staat stil bij de toevalligheden die zich voordoen, ziet mensen tegen niemand in het bijzonder praten tot hij ontdekt dat een mobieltje schuilgaat in de sjaal die om de nek is gedrapeerd. En dat alles laat hem koud, gelijk de medicijnen ervoor zorgen dat zijn handen constant koud zijn, maar zijn gedachten blijven flitsen. Al was het alleen maar omtrent het feit dat juist ik vandaag deze woorden schrijf. Opdat het voor mij ook duidelijk blijft waar ik me eigenlijk mee bezig houd: ‘het grote niets doen!’