groeiende zondag misschien…"!

Zondag, 05-08-’12.
Niet dat ik gewend ben water bij de wijn te doen, zeker geen Moezel bij de Rijn, laat staan Maas bij de Waal, want voor je het weet word je geconfronteerd met een Lek. Of, in dit geval, de Lek. Daarnaast behoeft het dit keer geen betoog dat wij, dat wil zeggen Jan en ik ons juist vandaag overgeven aan de geneugten die deze Dag des Heren ons aan zal gaan bieden. Mogelijk is het schromelijk overdreven dat ook nu enige wisselvalligheid de stemmingen van deze dag ons weet te beinfluenceren. Hetgeen dan weer veel te raden laat. Kan het haast niet anders dan dat Meerssen enige opheldering zal gaan bieden. Misschien is er sprake van een processie: al was dit in de vorm van een rups… Neen, dan liever nog even wat gelezen in het werk van eerder genoemde Roger van de Velde. Neem nu bladzijde 46 uit het eerder geroemde werk.
een tsjaddik in gebed, teksten te prevelen uit een dik, in zwart leder gebonden boek. Zijn stem had een gutturale intonatie en zijn lichaam wiebelde ritmisch, als in trance, heen en weer. Er kwamen zich steeds meer kijklustigen in de kring scharen, want dat heen en weer wiebelen bleek, samen met de decoratieve paardedeken en de assyrische baard, een ongewoon boeiende attractie.
Toen de altijd op buit beluste Gerrit-met-de-afgesneden-vingers te midden van het gedrang aanstalten maakte om de paardedeken te bemachtigen en er meteen mot in de lucht hing, kwam de bewaker wijdbeens aanstappen en riep zeer luid en zeer bars: ‘circulez!’ Er werd weigerig gevolg gegeven aan het bevel, terwijl het joodje steeds even onverstoorbaar zijn gebeden bleef citeren voor die blinde kalkmuur, die voor hem ongetwijfeld een symbolisch stukje klaagmuur betekende. Met een uitermate schaapachtige uitdrukking op zijn rond gelaat stond de bewaker enkele ogenblikken besluiteloos naar het bevreemdende schouwspel te kijken. Dan kwam hij aarzelend in mijn richting. ‘Kun jij die rabbi niet aan het verstand brengen dat hij reglementair zijn paardedeken moet inleveren”‘ vroeg hij. ‘Ik vrees dat het niet zonder discussie zal kunnen gebeuren en de man spreekt geen woord Frans of Nederlands.’
De bewaker had mij wel eens Engelse boeken zien lezen. Blijkbaar was hij van mening dat sinds Balfour alle Israelieten zich geestdriftig zijn gaan toeleggen op de studie van het Engelse idioom en hij wilde mij als tolk laten fungeren. Het hing mij al grondig de keel uit voor ik er aan begonnen was. ‘Gesteld dat hij Engels verstaat’, zei ik humeurig, ‘en gesteld dat hij niet toeschietelijk is, moet ik dan reglementair ook een partijtje met hem vechten voor die paardedeken”‘
De bewaker vertrok zijn gelaat in een smartelijke grijns. ‘Niet noodzakelijk’, zei hij.’Misschien valt het vriendelijk te bepraten. Hij ziet er niet vechtlustig uit.’
‘Hoe heet uw rabbi”‘ wilde ik nog weten. Als er dan toch gepraat moest worden, kon het evengoed in hoffelijke termen gebeuren. De bewaker keek in zijn notitieboekje en spelde met een afschuwelijk accent moeizaam een naam. Het moest ongeveer klinken als Mosje Cheronim.
Tot zover de dingen voor vandaag. Niet dat ik de indruk heb dat bovenstaande met bijzonder genoegen gelezen zal worden, edoch vind ik het van belang dat vormen van eucharistie zich juist op deze dag voordoen. Vanwege toch dat Christelijke- en Joodse cultuurgoed dat zo’n belangrijke rol in de Nederlandse samenleving schijnt te spelen… althans, volgens hen die dit weten kunnen.
Daar schaar ik dit keer mezelf even niet onder. Tenslotte heeft Amsterdam waarschijnlijk ook dit keer, voor de zoveelste keer de Gay-Parade doorstaan…