GOH, (w)IK BEN D'R NOG!

GOH, (w)IK BEN ER NOG…

Ik realiseer me terdege dat ik op de afdeling Spoed Eisende Hulp terecht ben gekomen. De rit vanuit de Ambulance naar deze afdeling is wat aan mij voorbijgegaan, simpelweg door het feit dat ik constant lag te lidderen. En nog steeds lig te lidderen, in mijn doorweekte onderbroek onder een kunstmatig van warme lucht voorziene plastic ‘deken.’ Ondanks mijn meer dan belabberde situatie ontkom ik niet aan een glimlach wanneer ik mijn situatie vergelijke met die van de Baron von Munchhausen, wanneer deze zich, door aan zijn haren te trekken, uit het drijfzand weet te bevrijden. Die metafoor is, op dit moment, duidelijk op zijn plek. Voor het overige gaat veel langs mij heen en al zie ik regelmatig het gezicht van Martin, verpleegkundige op deze post en weet ik niet veel meer te doen dan te vragen of Greta Postma hier nog steeds werkzaam is. Een naam uit mijn verleden in de periode dat ik hier, onder de kundige leiding van Victor Groot, mijn opleiding in het toenmalige Centraal Ziekenhuis af ging ronden. Verwarrend wat er allemaal door mijn kop heengaat; het ziet er naar uit dat ik vannacht niet thuis zal komen, dat ik in het ziekenhuis zal moeten blijven en dat ik Ria en alle anderen weer eens de schrik van mijn leven aan hen weet te geven. Maar ik ben er nog en dat te beseffen zorgt ervoor… ‘U krijgt rectaal een thermometer ingebracht’, weet Martin mij te vertellen. Niet veel later volgt de opmerking dat mijn temperatuur is gedaald naar 31.6 graden Celsius. Ik neem dit voetstoots aan, terwijl ik me blijf verbazen omtrent de situatie waarin ik ben beland. Probeer voor mezelf duidelijk te krijgen wat er nu feitelijk is gebeurd en hoe ik, in plaats dat mijn fiets in die sloot is beland, mijn poging om mijn fiets te redden er zelf in getuimeld ben. Dat ik mijn kop boven water heb weten te houden, mijn kleren zich vol zogen met vocht en ik het gevecht met de dood heb gewonnen. Maar dat er momenten waren…

Het infuus blijft lopen. Niet veel later rijd ik naar een ruimte waar mij een CT-scan wacht. Dat ik een verwonding aan de linkerkant van mijn hoofd heb, dicht bij mijn oog, ben ik me ternauwernood bewust. Ternauwernood. Een schitterend woord en passend in mijn huidige situatie. Waarbij ik me steeds meer begin te realiseren welk een impact dit weer moet hebben voor alle anderen die mij dierbaar zijn. De consequenties van de keuzes die ik heb gemaakt, maar waarbij ik dit gebeuren absoluut niet had weten te bedenken. Het doet dan ook afbreuk aan… de werkelijkheid laat zich niet altijd met een pen beschrijven en toch onderneem ik op dit moment juist die poging. Maar dat is dan in tijd alweer zoveel dagen later, zondag, terwijl het vrijdag is waar ik melding van maak. Geen gedramatiseer, laat staan geromantiseer dan wel het oog gericht op de eenvoudige realiteit, die een poging onderneemt om de werkelijkheid dit keer geen geweld aan te doen. ‘Wilt u uw hoofd niet bewegen”!”, terwijl ik tussen een tweetal blokjes kom te liggen, hoofd en nek in een rechte stand houd, en een deel van het apparaat zich cirkelvormig door rondje heen zwiept. Anders valt het niet te beschrijven en ik zou ook niet weten op welke wijze mijn hoofd straks te lezen valt. Computer Tomografie en dat in een scan, waarbij het lezen straks wel weer via eenzelfde computer zal gaan plaatsvinden. Maar ook dat is mijn pakkie niet aan; van belang is voor mij de uitslag. Het feit dat ik bloedverdunners gebruik, daar ben ik niet alleen van doordrongen. Zowel in de ambulance als op deze afdeling word mij dat bij herhaling duidelijk gemaakt. Waarschijnlijk is door het invoeren van mijn naam niet alleen mijn patientennummer maar al mijn overige gegevens duidelijk geworden…

Geen idee omtrent de tijd die is verstreken. Ik zie mensen komen en weer gaan. Verpleegkundigen en artsen in opleiding. Op een zeker moment daagt Martin weer op in het gezelschap van een Jacqueline, verpleegkundige op de afdeling Nuerologie. Daar zal ik de rest van de vroege ochtend komen te verblijven en gaat de ‘warmtedeken’ mij vergezellen. Het apparaat maakt geluid, waar ik melding van maak wanneer mij verteld wordt op een tweepersoons kamer terecht te zullen komen. ‘Maar de persoon waar ik die kamer mee zal gaan delen, zal daar waarschijnlijk weinig last van ondervinden. Wik, de man die zorgt voor de nodige overlast. Geenszins een vorm van aandachttrekkerij, maar wat heeft mij in Godsnaam bezield om de weg over te steken (simpelweg om mijn weg fietsend te vervolgen), de stoep op te gaan (nog steeds met mijn rechterhand het zadel vasthoudend), het voorwiel het gras op te zien gaan (mijn linkerhand een poging ondernemend om mijn stuur te grijpen), mijn schoenen het gras op te zien gaan en dan… mijn buiteling in het zwarte water. Terwijl mijn fiets op het droge weet te blijven, mijn voorwiel richting hemel. Niet zozeer een flashback, maar meer een poging om voor mezelf duidelijk te krijgen wat er nu precies gebeurd is. Het verhaal van Rob, terwijl hij, door gladheid getroffen, de sloot in ging. De fiets die ik in hun kalender heb gedaan en waar ik nu zelf een poging heb ondernomen om…

Ik kan het geheel navertellen. Weet niet in hoeverre mijn ICD een rol in dit total heeft gespeeld, mar weet wel dat ik het verdomde om mijn kop onder te laten gaan. Ben misschien wel binnen mezelf buiten mezelf getreden, moest zo nodig mijn afspraak met Ria gestand doen en weet niet in hoeverre dit ongekende krachten in mij heeft losgemaakt. Ben misschien wat kleine flarden kwijtgeraakt, maar heb het overgrote deel bewust ervaren. Ongekende krachten, mogelijkheden waar ik me niet direct bewust van ben geweest. Maar ook het besef dat ik voor een belangrijk deel mijn leven aan het normaliseren ben. Dat het Carpe Diem en het doen van leuke dingen mij een stuk nonchalanter heeft gemaakt, waarbij dit als een soort van nieuwe norm mijn leven is gaan bepalen. Ik de dingen weer veel meer als vanzelfsprekend ben gaan ervaren. Noem het gewoon en ik zal niet veel meer doen dan dit te beamen. En tegelijkertijd heb ik een geweldige avond gehad in het fotocafe. Met een heel eigentijds, bijkans ouderwets gevoel. Een gevoel dat ik vroeger bij herhaling heb mogen ervaren. Als een flashback uit dat ander leven, wat wel degelijk ook een deel van mijn leven is. Of was liever gezegd. Wat mij momenteel weer op het spoor brengt om wat meer stil te staan bij de huidige tijd, de huidige omstandigheid. Het geluk dat mij ten deel valt en de mate van slordigheid waar ik mee om weet te gaan. Noem mij niet egocentrisch maar een mate van egoisme valt nu eenmaal niet te ontkennen. En dat wil ik ook niet ontkennen. Hooguit dat het belang dat ik aan mezelf hecht weer eens onder de loep dient te worden genomen. Onder mijn loep wel te verstaan. Dat enige kritiek op zijn plaats is en dat er mogelijke wat kritische noten dienen te worden gekraakt. Dat gene zijde nog even dient te wachten omdat ik het aan deze zijde nog te druk heb. Met een hele stapel aan triviale dingen. Dat die triviale dingen een belangrijk deel van mijn huidige leven weten te bepalen, is niet alleen een feit, maar heeft ook veel weg van een opsteker. In die zin dat het bewust dan wel onbewust een rol heeft gespeeld in de krachten die in mij verscholen waren en het moment waarop ik over die verborgen krachten kon beschikken. Die prutsloot achter mij liet en een poging ondernam om zelf naar huis te gaan lopen. Want ik had met Ria afgesproken dat ik…

Ria was door Martin op de hoogte gesteld. Dacht dat ik zou bellen, maar zag dat er geen melding op het scherm stond. Foute boel, ging door haar hoofd. Martin kon haar, in zekere zin, geruststellen en om kwart voor vier ‘s ochtends kwam zij de kamer op SEH binnen. Met kleren, een pyjama,mijn pantoffels en een schone onderbroek. Maar op de SEH stonden ook twee grote witte zakken met mijn doorweekte kleren en mijn fototas, geheel en al droog. In tegenstelling tot al het andere. Ik haal het nog in mijn kop mij druk te maken omtrent mijn fiets die niet op slot staat in dat tunneltje waar ik in elkaar ben gezegen. Gezegen van het werkwoord in elkaar zijgen, hetgeen dan weer een link kan zijn naar de God die ik heb weten te verdoemen. Ook nu probeer ik weer mijn zegeningen te tellen en ik kom tot de ontdekking dat ik daaromtrent weinig te klagen heb. Hoewel dat mogelijk in andermans ogen niet geheel overeenkomt met de door mij geschetste situatie. Of met de flauwekul die ik met grote regelmaat aan wikswegen weet toe te vertrouwen. Maar als ik stel dat juist dit soort discutabele activiteiten mij voor een belangrijk deel op de been houden, lieg ik weer eens geen syllabe. Naast een wat morbide humor, die ik van grote waarde acht, humor die niet altijd wordt verstaan en ook nog weleens op het randje van de norm verkeert. En mijn genieten! Veelal in stilte waarbij ik nalaat te zeggen hoe ik dit ervaar. Het groter groeien van de ‘meiden’, het delen van momenten die ik met Ria beleef en het feit dat wij voor een groot deel verschillen, dat de basis echter staat als het huis waarin wij leven. En dat er een tweetal uitspraken zijn die ik dit keer van harte met jullie wil delen. Voor wat het waard is dan wel voor wat ze waard zijn.

WIE ZEGT DAT IETS NIET KAN,

BEGINT OP VOORHAND TWIJFELS TE ZAAIEN!

DE HOOGSTE MATE VAN GELUK IS

TEVREDEN ZIJN.

De laatste uitspraak is van Dick Zeelenberg, terwijl de eerste zich op mijn conto bij laat schrijven. Kwam in de nacht van zaterdag op zondag al ‘wirwarrelend’ in bed boven drijven. Hetgeen dan weer toepasselijk is voor het verhaal waar ik kond van heb gedaan. Ik realiseer me dat ik nog geregeld aan deze gebeurtenissen zal terugdenken. Ik realiseer me ook dat ik God op mijn blote knieen moet danken voor het feit dat ik, in dat tunneltje, als het ware die poging heb gedaan. Ik zeeg daar op mijn knieen en kwam tot de ontdekking dat…

het mijn tijd nog steeds niet was!