God Wik, LEVEN!

Een tunnel. Een lantaarnpaal. Vroeg in de ochtend. Water dat van mij afdruipt. En ik, stinkend als een otter. Maar ik heb het gered! Toch nog het heft in eigen hand kunnen nemen. Mijn tijd is nog niet gekomen: mogelijk een kwestie van uitstel, maar dan nog…
Zit ik op mijn knieen naast een lantaarnpaal. Niet veel later word ik het asfalt gewaar. Rood. Het heeft veel weg van een teken. Want ook het fotocafe stond vandaag in het teken van rood. En dan met name de kracht van rood. Waar ik heerlijk, op mijn manier, mee aan de loop was gegaan. Schrijf ik vandaag, zaterdag, terwijl er andere momenten door mijn kop heen slingeren. Flashbacks. Mijn kop die ik boven water probeer te houden. Mijn handen die, uiteindelijk, grip krijgen op de graspollen. De steun, die mijn rechtervoet onder water vindt, en het klimmen uit die prut. Als een alpinist tegen het talud op kruipen. En het spoor van water en prut dat ik achterlaat. Het overeind zetten van mijn fiets en met een bepaalde moed der wanhoop mijn tocht te vervolgen. Tot…
‘Gaat het meneer”!’, hoor ik ijl mijn richting opkomen. En ik zie een drietal personen die met mobieltjes bezig zijn mijn situatie door te geven aan 112. zij blijven op afstand en flarden van hun informatie dringen ternauwernood tot mij door. Onderwijl blijf ik in de buurt van die lantaarnpaal in dat tunneltje en ben verbaasd wanneer ik, naast de modder en de prut, wat bloed ontwaar. Dat zal wel van mij zijn, dat moet haast wel van mij zijn maar ik zou niet weten waar ik dan verwond ben. Pijn heb ik nergens; laat staan dat ik me bewust ben dat mijn lichaamstemperatuur al behoorlijk is gekelderd. Desondanks realiseer ik me wel in welk een situatie ik terecht ben gekomen en omschrijf deze simpelweg als ‘kut’. Een andere omschrijving is dit keer uit den boze, wanneer niet veel later (enig besef omtrent tijd heb ik reeds lang niet meer, zowel over hoe lang ik in die prutsloot heb gelegen dan wel het tijdbestek dat ik het talud achter mij heb gelaten, mijn fiets heb gepakt en op weg naar huis ben gegaan), maar in deze gegeven omstandigheid kijk ik op naar de man in dat geel/blauwe pak die mij vraagt hoe het met mij gaat. Dit keer komt er geen ‘goed’ over mijn lippen; daar is deze situatie dit keer absoluut niet naar. Zelfs dat besef dringt tot mij door gelijk het totaal der dingen dit keer levensbepalend blijkt te zijn. Althans, dat bedenk ik wanneer ik met behulp van het ambulancepersoneel in de richting van de brancard loop.
Als een ‘vivere at movere’ op zijn plaats is, dan is het wel dit keer. Niet veel later, liggend op een brancard in die ambulance, word ik ontdaan van mijn doorweekte kledingstukken en in mijn onderbroek in de folie gewikkeld. Onderwijl stelt de verpleegkundige mij vragen, word ik van een infuus voorzien en besef dat ik uitsluitend aan het rillen ben, terwijl ik mijn blik richt op het plafond van die ambulance en regelmatig het gezicht van die verpleegkundige zie. Kalende en van een bril voorzien, blijft hij de rust zelve en weet informatie aan mij te ontfutselen. Wel denk ik dat ik wat lallend antwoord geef…
Tot zover voor vandaag. Want ook dit keer gaat het leven door. Mijn leven door en begin ik me ook te realiseren welk een impact dit gebeuren op mijn omgeving heeft. Op Ria, Ellen, Marlies en Sabine, Moeder Corry, zwagers en schoonzusters, vrienden en alle anderen die met een bepaalde regelmaat in mijn nabijheid verkeren. Mensen die ik lief heb, die mij dierbaar zijn, maar waarvan ik niet altijd dit besef realiseer. Omdat mijn leven ogenschijnlijk weer een bepaalde regelmaat, een bepaalde manier van omgaan met mezelf teweeg heeft gebracht. Waarbij ik de dingen weer als normaal ben gaan beschouwen, het ‘carpe diem’ gevoel als uitgangspunt ben gaan beschouwen en het doen van leuke dingen als standaard in mijn leven heb weten te integreren. Waarbij ik me niet altijd bewust ben van het feit dat…
Maar daar wil ik morgen over verhalen! Want toen ik op de Spoed Eisende Hulp en nog weer wat later op de afdeling Neurologie terechtkwam…