Geweest zijn met rijmdwang!

Betrekkelijk. Dat blijft de vraag. Wanneer gesteld wordt dat alles in de regel betrekkelijk is, waar kun je dan in vredesnaam nog aan beginnen” Aan de dood of misschien aan de keerzij, aan het feit dat je in je wildste fantasie de aarde met voeten kunt treden, aan de wens om de vader van de gedachte te gaan volbrengen dan wel de vraag te stellen waar de moeder in dit geheel gebleven is. Wanneer de voorzijde overeenkomt met de achterzijde, hoef je je minder druk te maken omtrent het geslacht waartoe je behoort, mocht daar aan afwijking te vinden zijn kun je gaan denken aan het andere geslacht. Wanneer het mannetje/vrouwtje principe op jouw leven van toepassing is, kun je je prima verstaan met Yin en Yang. Met zwart en wit, met licht en donker, met dag en nacht en ga zo maar verder. Anders wordt dit wanneer de schemering toeslaat, wanneer het ongewisse van het leven eisen gaat stellen of wanneer de dood van jou op voorhand een tol eist. Wanneer een overgangssituatie zich voordoet en je dit niet geheel en al bewust bent, wanneer je gisteren als vandaag beleeft en zeker wanneer morgen zich ook nog eens vandaag voordoet. Dat de tijdseenheden volkomen in de war zijn geraakt, dat je geen besef meer hebt dat je zowel van voren als gelijktijdig van achteren leeft, en wanneer je om je moeder begint te roepen als je vrouw en levenslange partner aan je ziekbed vertoeft. Of wanneer je je kinderen ziet en geen weet meer hebt van het feit dat dit jouw nageslacht is, wanneer zij je begroeten met vader, pap of pa en jij ze wegstuurt omdat dit in jouw ogen vreemde indringers zijn die uit zijn op je bezit, je van je geld komen beroven dan wel dat zij het op jouw leven voorzien hebben. Dan ben je niet alleen je padje kwijt, niet alleen van je padje afgedwaald maar wordt de grip die je ooit op jouw leven had van alle kanten bedreigd en uiteindelijk ontnomen. Een schemertoestand die waarschijnlijk in het duister zal gaan eindigen. Op weg naar het einde en het besef dat je einde nadert aan jou voorbijgaat. Mijn vader had ooit pech en het is juist die pech die als zijn laatste woorden kunnen worden beschouwd. En ik was vandaag in het zonnetje bezig met het schrijven een een opwelling, noem het geen gedicht hoewel de rijmdwang allerminst ontbreekt. Of liever gezegd ontbrak. Want ik schreef het neer onder de noemer ‘Geweest zijn met rijmdwang!’
Als gisteren morgen was / en vandaag morgen / wat kan ik overmorgen / dan verwachten” // en dan volgen nog verschillende regels die met een of naar een volgende regel gaan. Maar wat ik je dit keer niet wil onthouden is de laatste strofe: Zit ik nu hier of / zat ik ook daar / de zon scheen voor mij / dat is zonneklaar! / loop ik mijn weg of / zeg jij mij nu // jij bent nu weg, dus heb ik nu (of dikke”!) pech! Gedachten en kronkelingen, kronkelende gedachten en dat na een middag van enig verantwoord vertier. Door dichters van buiten en een dichter van binnen, die zo mooi kunnen goochelen met woorden dat ik ademloos en zonder enige gedachte die vloed aan woorden tot me nam. En dat van de pech dan wel van mijn betrekkelijkheid” Dat hoop ik met dit bericht naar voren te hebben gebracht!