Gerrit op zaterdag

… zo’n avond wanneer het gepermitteerd is om de lamlendigheid toe te laten slaan! Het kan nu eenmaal niet immer feest zijn. Een zaterdagavond waarbij Pluvius van zich laat horen, de goten hun best doen om de overvloedigheid te kanaliseren, de rioolputten dankbaar hun wegen ter beschikking stellen, de spiegels in sloten en kanalen stijgen, grassen verzuipen en een enkele, niet gerooide, aardappel de mogelijkheid wordt geboden te verrotten. Ik mij koester in de behaaglijkheid van een elektrische deken,opdat mijn temperatuur, kunstmatig, de hoogte wordt ingeprezen. Althans, een uitgangspunt kan zijn voor de komende nacht. Een boek van Leon de Winter tot mijn beschikking, een enkel aardnootje zich tussen mijn kaken laat vermalen en ik niet veel later de ontdekking doe dat het schaaltje slechts leegte biedt. Mijn innerlijk systeem gevuld, het verwerkingsproces het ook dit keer niet laat afweten en mijn rectum zich straks zal gaan vullen met de niet verwerkte restanten.
Komrij was geobsedeerd door het uitscheiden van de mens. Beter is te stellen dat hij was geobsedeerd door het uitschijten van de mens. Alsof hij schijt had aan die mens. Misschien had hij dit ook wel. Maar hem naar het waarom van deze obsessie vragen, zit er niet meer in. Het wordt druk in de hemel: Boudewijn, Harry, Willem, Bernlef en de vele anderen die hen zijn voorgegaan zullen daar de gevolgen van ervaren. Reken dat Gerrit hen een poepie zal laten ruiken. Tenminste, als het aan mij ligt. Het ligt dit keer niet aan mij. Het ligt meer in het verlengde van de omstandigheid. En met die omstandigheid kan ik niet altijd uit de voeten. Tenslotte dien ik op mijn conditie te letten, mezelf in acht te nemen dan wel me niet hoger in te schatten dan dat ik fysiek tot uitdrukking kan brengen.
Waar Gerrit stelde dat elk boek een eigen persoonlijkheid vertolkte, schrijft de krant dit keer over zijn verzamelzucht. ‘Niets zo melancholiek als de aanblik van een verlaten bibliotheek. Hoe voller de kasten, hoe leger het gevoel. Des te woester verzameld, des te dieper de stilte. 50.000 boeken heeft hij gedurende zijn hele leven met bloed, zweet en tranen bijeen gebracht. Momenteel staan zij er eenzaam bij. ‘Elk mens’, heeft hij gezegd, ‘heeft een neus, twee ogen, twee oren en een mond. Het aantal attributen van de mens is beperkt. Toch lijken mensen nauwelijks op elkaar. Het aantal attributen van een boek is ook heel beperkt: de band, de dikte, het papier, de letter. En toch is niet een boek hetzelfde. Ze hebben ieder een eigen persoonlijkheid.’
Boeken waren in Komrij’s leven zijn trouwste vrienden.’Ze laten je nooit in de steek. Hoe meer vrienden je verraden en verlaten, hoe dierbaarder je boeken worden. Niets ten nadele van mensen, ik zoek ze altijd graag op, maar het moet gezegd: je houdt het nu eenmaal minder lang met ze uit dan met je boeken.’
Woorden die ertoe doen. Met name op deze zaterdagavond. Ik denk dat ik maar een dat warme hol opzoek, als ware een voorbereiding voor een mogelijke winterslaap. Een zaterdagavond slaap. Met Leon dit keer. Met een knabbeltje. Al was het alleen maar voor dat gevoel. Van voorheen. Want om nu nog over vroeger te praten…