Boy van Bernlef

Zo groeide de muziek in haar, steeds luider en duidelijker in deze stille kamer, zodat ze nu zelfs de getekende toetsen niet meer nodig had en opstond en met doorspelende vingers door de kamer liep; van het raam naar de deur en weer terug tot ze stilhield voor de drie stroken met opgeplakte gravures uit de Sears & Roebuck-catalogus en zag hoe de beelden zich losmaakten uit Boys ordening. De gekruiste pollepels, de trapnaaimachine, de vogelkooi met zijn openstaande deurtje, het logge strijkijzer, de spanen dood, de hoge hoed, de nijptang, het paar leren schoenen, ze wiekten op de muziek in haar hoofd door de kamer. Maar lang kon deze reidans niet duren, beelden verlangden nu eenmaal naar samenhang, een verhaal, en zo keerden ze terug en zag ze hoe de ronde dikke vingers van Boy ze hun plaats in zijn verhaal teruggaven, een verhaal dat even weinig en evenveel betekende als de muziek die ze nu steeds zwakker hoorde. Haar vingers hielden op te bewegen, haar armen vielen slap langs haar lijf.
Middenin de kamer bleef ze staan.
Zonder beelden, omringd door louter kale muren, zo moest Boy weerloos geweest zijn, was het leven zijn lege brein binnengedrongen tot het hem tot de rand toe gevuld had en hij niet anders kon dan definitief afstand nemen. Uit zelfbehoud. Beelden hadden hem kunnen redden, maar niemand gaf ze hem, had ze hem kunnen geven. Ook zij niet. Hij was overgeleverd geweest aan de wereld met niets om die te ordenen. Vanzelfsprekend moest hij de handelingen volbracht hebben waarmee hij het ene duister voor het andere had verruild.
Opnieuw keek ze naar de gravures aan de muur. Ze bezaten voor haar de schoonheid van het oningeloste, een akkoord dat wegsterft zonder de oplossing die je al in je hoofd hoorde prijs te geven; ghost notes, zoals die genoemd werden. Zij liep naar de tafel, sloeg de partituur dicht en verfrommelde het toetsenbord.

Uit: Boy, J. Bernlef, 2e druk, Amsterdam: Querido, 2000, blz. 311.


iGer.nl 

In de Verenigde Staten, begin 20e eeuw, wordt een doofstomme jongen veroordeeld voor de moord op een bekende actrice uit de stomme film: een verslaggever van een lokale krant begint een speurtocht naar de achtergronden van deze jongen.
Meer nog dan een zeer onderhoudend verhaal van een moordmysterie is Boy een roman over de intensiteit van de waarneming, van het zintuiglijk bestaan. Een intensiteit, die verhoogd wordt wanneer een van de zintuigen uitvalt en de toegang tot de werkelijkheid door andere moet worden overgenomen.
 


iGer.nl
Het staat er zo beknopt. Bernlef heeft kans gezien om dit verhaal in ruim 300 bladzijden van een inhoud te voorzien. Het is dan ook geenszins een verhaal. Het is iets wat zich beweegt tussen waan en werkelijkheid. Of misschien wel de werkelijkheid van de waan. Die onvermoede grens tussen beide grootheden. Want waar het een de zintuigen zou kunnen gaan bedriegen, kunnen het juist diezelfde zintuigen zijn die juist dat andere bedreigen. Geen uitspraak kunnen doen omtrent het een, wil dat het ander absoluut niet uitsluiten. Want sluit je dat uit doe je juist die werkelijkheid geweld aan. Of juist de waan. Zo’n boek intrigeert. Zo’n verhaal geeft leven inhoud. Juist omdat het kleuren weet af te zwakken en de wereld als in een gravure uitbeeldt. Schetsen, lijnen, mogelijke veronderstellingen. Een wolk, niet veel meer dan wat bedrieglijke bogen, golven bijna gelijk. En daarin bollen de zeilen. Waart een schip rond, zonder te varen. Vaart een schip rond en denk ik dat ik dit ontwaar. Maar kan het net zo goed mijn verbeelding zijn. Ook dan ontstaat bij mij d behoefte aan een ordening. Opdat ik de zaken kan plaatsen. Er een betekenis aan kan gaan hechten. Juist dan ontdek ik dat ik juist dit niet kan. Of dit niet wil kunnen. De zaken maar weer op zijn beloop laat. Of nalaat er aan ander betekenis aan te gaan hechten dan de woorden die ik tot mijn beschikking heb. Versteld sta van het feit dat juist die woorden het geheel zoveel afbreuk kunnen doen. Er eigenlijk nog een pogen overblijft: zwijgen.


iGer.nl