beeldloos

FOSSIEL

terwijl iedereen

meewarig,

het hoofd schuddend

de hem

toegediende injectie

opnieuw

herhaalt

zijn zwanengang

gedood:

levend

een fossiel

in een uitgebluste

stoel.

Als zoveel meer mensen volgens de gangbare statistieken het loodje leggen, schrikt niet alleen de overheid even, maar weet dit ook het nieuws te halen. Nu is het niet nieuw dat in zomer- dan wel wintertijd meer mensen tegen het stootblok aanbotsen, maar ook dat door minder aandacht voor de drank, de gevolgen navenant kunnen zijn. Bij sommigen is het een kwestie dat de redding, relatief gesproken, zo dichtbij was, voor anderen kan het een zegen zijn dat er een einde komt aan een ondraaglijk lijden. Want dat de mens lijdt, dat leidt geen twijfel. Wat daarin naar voren komt is dat niet alleen ‘s Heren wegen ondoorgrondelijk zijn, maar dat de zegen die de ander over zichzelf mogelijk nog kan afroepen, de nabestaanden verlost van een zeker schuldgevoel.
Neem nu bijvoorbeeld kennis van het volgende:
‘als Karina haar man wakker had gekust, deed zij eerst de rolluiken open. ‘Wat voor weer is het”‘, vroeg Wolkers altijd, waarop Karina antwoordde: ‘het is een schitterende dag.’ Of: ‘een beetje bewolkt, maar niet koud.’
Daarna vulde zij de wastafel met lauwwarm water en deed daar een scheutje lavendelolie in. Zij sloeg de dekens van hem af en legde de handdoek onder zijn onderbenen en voeten en waste die met het geurige cadmiumblauwe sopje. Vervolgens droogde ze zijn voeten en wreef ze in met een licht lobbige cr”me die Secret Touch heet. Tot slot deed ze zijn sokken aan en ging hij rechtop zitten.
De voetwassing moest heel voorzichtig gebeuren, want de huid van zijn voeten was dun en pijnlijk geworden. Een paar jaar geleden had Wolkers wondroos gekregen aan beide enkels en voeten, en die ontsteking flakkerde zo af en toe op en moest met antibiotica worden bestreden. Dat getob met zijn voeten was zwaarder en zwaarder geworden. ‘Hij sleepte zijn lichaam als een molensteen door het huis,’ zegt Karina.
Uit:
Zo is het genoeg / Het laatste jaar van Jan Wolkers.” Onno Blom.
‘Zo is het genoeg’, dat waren de laatste woorden van Jan Wolkers, beeldhouwer, schilder, schrijver. Anderhalve week voor zijn twee”ntachtigste verjaardag werden hem ‘s nachts door zijn vrouw Karina twee boterhammen met jam gebracht. Hij at een paar stukjes, lachte naar Karina en zonk weg in een diepe slaap, die twee dagen zou duren en waaruit hij niet meer ontwaakte. Op 19 oktober 2007, om half twee ‘s nachts, overleed hij.
Een foto van hem op hoge leeftijd hangt in het fotomuseum in Den Haag. En wat mij daarin opviel waren zijn handen: blauwpaars, sterk dooraderd, de handen van een ambachtsman, de kop van een woudreus. Een pracht portret. En datzelfde prachtportret wordt aangevuld door Karina die beide handen op de schouders van deze kwetsbare reus heeft gelegd:” een schoonheid van een foto, voor zover een foto schoonheid weet vast te leggen.

ROUTINE

Uit den vreemde

klinken

holle stemmen

wezens, ontdaan

van voor- en achterkant

de nijvere, dappere

handen

wapperen, gesjouw

van de ene

naar de andere kant

dag, de dagelijkse

routine, de smaak, geur

ontbinding

tijd, de herhaling

en het eeuwige gezever

raak ik vandaag mijn plasje

kwijt

raak ik hen, als ik niet

oppas,

leven zij nog steeds,

wanneer zij al lang

aan de dagelijkse routine

zijn ontglipt.

Een tweetal beelden die ik dit keer zonder beelden gepaard laat gaan. Omdat ik niet de mogelijkheid wil bieden om voor afleiding te gaan zorgen. Omdat de berichten in de krant ook veelal niet gepaard gaan met een foto.

Maar als ik dan toch een foto zou willen plaatsen,” zou het die ene zijn: Jan Wolkers handen.