Alles van waarde…

‘Alles van waarde is weerloos’, stuitert door mijn kop. Een onsterfelijke regel van Lucebert. Een regel die recht doet aan een grasspriet, een dier, een mens desnoods. Een mens in doodsnood. Misschien. Een mens die niet meer is opgewassen tegen de ziel in zichzelf. De mens die besluit om de daad in eigen hand te gaan nemen. De hand tegen zichzelf opheft. De hand die hem ter beschikking staat. En het recht dat diezelfde mens heeft, door over zichzelf te kunnen beschikken. Een recht. Het zelfbeschikkingsrecht. Waarbij de hulpverlening aan de kant wordt gezet. Waarbij geen andere weg meer is dan de eerder van de week genoemde uitweg. En ik weet dat ik daar, ook in mijn toekomst, nog geregeld aan zal gaan refereren. Het boeit, het intrigeert en het triggert. Waartegen is de mens bestand” Waar is de mens tegen op gewassen” Tegen zichzelf ” Tegen de omstandigheden” Tegen zijn zijn” Zijn eigen zijn”
‘EEN STAD KAN EEN SCHRIJVER DIE ZICH OVER DIE STAD UITLAAT NIET DANKBAAR GENOEG ZIJN. EEN STAD MOET EEN SCHRIJVER ZELFS ERKENTELIJK ZIJN ALS DEZE ZIJN GIF EROVER UITGIET…’ Deze regels, uitgesproken in 2004 tijdens de Van Foreestlezing, staan in het boek ‘Tussen droom en daad in Dubbelstad: Alkmaar in feit en fictie’ (2004) van Joost Zwagerman. Waarmee ik deze bijzondere week wil besluiten. En de orde van mijn dag naar voren wil brengen.


IMG_9946


IMG_9950


IMG_9950


IMG_9951


IMG_9954
Open monumentendag en de Dichterskring Alkmaar, wederom, in de Watertoren. Waarbij gedichten werden voorgedragen, waarbij bezoekers van harte welkom werden geheten en de nieuwsgierigheid naar juist de Watertoren veelal de reden was om deze te gaan bezoeken. De dichters die voordroegen waren wel met water bezig geweest, het gehoor had andere interesses. En dat dient te worden geprezen. Taal, en alles wat daaraan te koppelen valt, is nu eenmaal niet ieders ding. Maar in een tijd waarin andere mogelijkheden tot comuniceren zich blijvend ontwikkelen, kan dat voor even een verademing zijn. En het feit dat daar toch enig gehoor aangegeven werd, maakt zo’n dag dan toch weer bijzonder. Voordragen uit eigen werk, gehoor vinden bij onbekenden en niet veel later ondergedompeld worden in gitaarspel en een bluesharp onder de noemer van een mondharmonica als surrogaat van de trekzak, ook dat heeft wel wat. Waarmee ik deze week eindig, me morgen opmaak om mogelijk een opmaak van een courant het levenslicht te laten aanschouwen. Het voorbereidend werk reeds gisteren voor mijn rekening heb genomen, opdat ik morgen maar… da’s voor morgen!