Maand: september 2019

Vreemde gast

Zo bijzonder is het niet. Althans, wanneer ik de welingelichte bron buiten beschouwing houd. Nu is het zo dat wanneer ik mij in een andere omgeving bevind, de weeromstuit dikwijls een rol kan gaan spelen. Indien ik mijn opwachting maak en anderen mij herkennen, van een moment dat reeds een tijd geleden moet zijn geweest. Waar ik voor mijn gemak dan een aantal jaren onder versta. Dat betekent waarschijnlijk dat mijn middellange termijn geheugen nog aanwezig is en dat ik over mijn korte termijn geheugen zelden hoef te klagen. Hooguit wanneer ik wat selectief ben: een vorm van het wel weten maar op dat moment de voorkeur geef om het daarbij te laten. Niets menselijks is mij immers vreemd en wanneer anderen opmerken dat ik een ‘vreemde gast’ ben, laat ik deze uitspraak bij hen die dit zo uitspreken…

Niet dat zij deze opmerking met mij zullen gaan delen, eerder ietwat besmuikt komt eerder aan de orde. Het zij zo en wanneer mensen dit doen zegt het meer over hen dan over mij. Ik voldoe nu eenmaal net altijd aan de gangbare normen, voel mij daar wel bij en kan niet nalaten mijn schouders op te gaan halen. Zo eenvoudig wil en kan ik zijn, en toch stoort het mij enigszins. Komt je dit bekend voor, je zult nu eenmaal niet de enige zijn en wat is leuker dan achter de rug van de ander om opmerkingen te maken.

Over haardracht, kleding, kunst desnoods. En wanneer het dit laatste betreft, voor vandaag wat bijzonders op dit berichtenblog. Want wat ik kan delen is vaak niet veel meer dan de foto’s die ik heb vastgelegd. Laat staan dat mijn woorden tot nadenken zullen stemmen. Want dat wat ik gisteren te berde heb gebracht is veelal tekenend voor de grilligheid die zich in mijn hersenen voordoet. En ook die constatering kan ik beter zelf doen dan dat daar een gestudeerd iemand een uitspraak over doet. Hooguit dat Sigmund mij in deze zou kunnen helpen…

72!

Wanneer het ruwe bolster de blanke pit verdrinkt, wanneer het zaadje besluit te ovuleren en het ei zich opmaakt voor de spiegel zonder sprong, wanneer de narcist besluit om een crocus te gaan worden en een daffodil de kans krijgt om met batterijen aan de loop te gaan, verkeert de schrijver dezes absoluut niet in een kennelijke staat van verwarring. Daar denken een vorm is van doen, dat nalaten veelal in het teken van verscheiden staat, een delver zich niet alleen toelegt op het zoeken naar botten, dat veelkleurigheid niet altijd gepaard gaat met rooskleurig zijn, kan het haast niet anders dan dat de wereld ergens op zal gaan houden met bestaan. Alhoewel ik daar op dit moment absoluut nog niet van overtuigd ben.

Zo’n douche kan inspiratie geven, kan de huid doordrenken met gevoel, laat langzaam zaken door het putje glijden en als het dan niet anders kan, is daar altijd nog de mogelijkheid om aan het zijn te ontsnappen. Zo eenvoudig als ik het hier nu stel, zo moeilijk kan het voor de ander zijn om iets van dit te gaan snappen. Hetgeen ook de bedoeling is. Tenslotte komt ook deze maand weer langzaam tot een eind en wanneer de zaken zich voordoen als zij doen, valt er weinig aan bij te sturen. Zelfrijdend vormt de toekomst en wanneer muziek in de oren klinkt, kunnen het de oortjes zijn die het niet af laten weten. Wat horen, zien en zwijgen ooit te berde hebben gebracht, ook dat valt nog steeds te raden. Voor je het weet val je van je voetstuk af en wanneer de vogels twinkeleren, is het de twinkeling in die gesloten ogen die uitsluitend doen vermoeden dat de ander in een andere wereld is komen te vertoeven. Om maar weer eens een gotspe naar voren te brengen!

Ik heb er weer zin in om nog eens de absurditeit van een bestaan te gaan aanschouwen. Doe daar absoluut en sowieso mezelf een groot genoegen mee. Want draait mijn wereld niet alleen om mij, mezelf en mijn schaduw heen?! Ben ik mezelf wanneer ik in droomland verkeer en de bordjes met aanwijzingen wederom laat voor wat deze zijn?! Aanwijzingen die verwijzen naar die andere mogelijkheden die waarlijk onbestaanbaar zijn. Het penseel dat de kwast streken laat uithalen die geen ander ooit zal kunnen begrijpen. De vorsers daargelaten, de waanvoorstellingen uit een ver verleden, de padden die in paddo’s veranderen en voor je het weet loop je met een trechter op je kop een tunnel in, om het schemer elders te gaan aanschouwen.

Is de vraagbaak verandert in een vergaarbak, wordt de soep in een heksenketel van geweld ondergedompeld en wanneer een bot, een been, een arm dan wel een hand vergeefs om aandacht vraagt, blijkt die kale kikker verandert te zijn in pluimvee van diverse aard. Aardig voor de een, hartstochtelijk ongelukkig voor een willekeurige ander. Zo’n zondag waarop de bladeren nog groen aan de takken hangen, de herfst er alles aan probeert te doen om het dekblad te verkeuren, de pruimtabak aan een mondhoek hangt en het grijs van tanden de grauw van deze dag tracht te vergoelijken. En dag waarop de ogen elders op gericht zijn, het blauw dat de zon overmand, het geel dat doet verwelken en het rood dat ene M. ooit als uitgangspunt heeft genomen. En waar dit alles toe zal gaan leiden?!

Ik was in Rotterdam, kwam daar Joost (die het mag weten) tegen en besloot op zijn unieke wijze met mijn woorden aan de loop te gaan. Swarte is zijn achternaam en naast het witte in het vooruitzicht: wij delen iets wat een ander misschien is ontgaan. 72 jaar en daardoor van 1947!

Paul en het zonnetje (dan wel in…)

Vilein. Dat is het eerste woord dat in mij opkomt, wanneer ik gedichten van Paul Roelofsen tot mij neem. En wanneer ik deez’ woorden tot u richt, kan het haast niet anders dan dat ik wat gedichten uit zijn hand, door zijn hoofd gegaan en op papier gezet citeer uit zijn jongste bundel ‘EEN BLOEMBED, EEN BLOEDBAD’. De reikwijdte van zijn woorden zijn immers niet te overzien, de gelaagdheid die hij met zijn zinnen naar voren brengt nauwelijks te doorgronden (hoewel dat laatste betrekkelijk is) en wanneer hij de daad bij zijn woord zou voegen, had de man reeds jaren in het gevang komen te verkeren. Een sluipmoordenaar ‘avant la lettre’, een killer van ongekende aard en proporties en gevierd in stad en ommeland. Hoewel dat laatste een interpretatie van mijn kant zou kunnen zijn. Neem nu dit gedicht:
‘Zodra de zon de hoek omslaat / van de mairie / verschijnt de burgemeester op het plein /om rot fruit te verkopen / uit eigen tuin.’

Zo staat het daar op de achterkant van zijn bundel en wanneer dit ook nog eens in witte letters op het rood zichtbaar wordt gemaakt, dan is het bloed dat al zijn woorden gaat doordrenken. Ik vroeg hem om mijn exemplaar te gaan signeren en liet na dit aan de voorkant te laten plaatsvinden, neen ik koos voor die ene lege bladzijde voor de inhoudsopgave. Bijzonder?! Geenszins daar hij de daad voegde bij mijn verzoek. Dan ben ik er voor vandaag nog niet, maak ik gebruik van die andere smaakmakers die hij aan zijn pen wist te ontlokken. Wanneer hij zijn pen probeert, wil hij ook nog weleens verrast worden door zijn eigen woorden. De bescheidenheid die hij tentoon spreidt, is ook nog zo’n ding. Kritisch, het analyseren aan anderen overlatend, inspirerend voor en waarschijnlijk ook nog eens door anderen en met wat zwartgallige humor doordrenkt, spreek hij velen aan. Dat gedichten en navenante bundels slechts kleine oplages kennen…

Ik doe er twee uit zijn recente bundel: Buitenkind :
‘Nee, denken deed ik niet, ik zong /van oze wie ze woze /en van een damespaard een herenpaard / zo helder allemaal
// van denken begreep ik niets //
// ik wist ook niets, niet eens / dat mijn moeder bij het baren schreeuwde / van blijheid minder dan van pijn //
// ik begreep niets, ik wist niet, ik sprong / en was gelukkig / als een dansende koe in de wei’

& Verval:
‘Eindelijk, nu de boel als geolied / in het honderd loopt / – dansende katten op een doorzakkend dak – / aarzel ik niet, geef ik toe / dat mijn streven naar / een vrolijk, fier en vrij leven / met fris een vagijn aan iedere zij / is vervlogen //
// mijn lieve lusten wenen van nee / een vluchtig verval / menen zij / wat ik niet hoop, want / met graagte kijk ik uit naar mijn eind / in een zacht ledikant / dat wel / en in nachtgoed van kant / dat ook / omringd door die katten, nu jankend’