beschouwing III

Door Wik 28 juli 2010

Een verhaaltje voor bij het slapen gaan.

Het snaterde al een heel lange tijd, maar de muren rond het water dempten het geluid. Het ruizen van de bomen en het zuchten van de wind overstemden het gesnater. De eend bleef drijven, waggelde wat op de kant en plonsde in het water. Vanaf haar geboorte was de eend aan de mens vertrouwd geraakt, in de steek gelaten als het was door het ouderpaar. Het eerste levende wezen dat zij tegenkwam was, als bij toeval, een mens en sinds die dag diende de eend de mens. Het groeide groter en groter en besefte niet dat het steeds afhankelijker werd van diezelfde mens. Toch kon de eend niet over dit onderwerp met een andere eend praten, simpelweg omdat andere eenden niet begrepen waar de eend het over had. Dus kwebbelden zij en snaterden. De eend, geen bruin vermoeden wat achter de einder verscholen lag, voelde zich als een eend in het water en bespeurde zo af en toe wel iets anders, maar dacht dat dit slechts een gril van de natuur was.

Op zekere dag werd de eend in haar domein verrast, de mens plaatste schermen rond haar plas en aan het einde van de smalle sloot die doodliep, werd een kooi geplaatst. De mens, waarop zij vertrouwde en van afhankelijk was, bleef de eend haar eigen plekje gunnen en op die manier bleef zij overtuigd van haar vrijheid. Ze kon gaan en spetteren waar zij wilde en door al dat geplons trok zij de aandacht van andere eenden, wilde, op hun tocht naar een nog onduidelijker bestemming. De wilden streken neer en verbaasden zich over de eenvoud en de simpele vrijheid die ons eendje ten deel was gevallen. Toen ook kwamen de wilde eenden tot de ontdekking, dat de vrijheid die zij tot dan zo trouwhartig zochten, veel dichterbij te vinden was dan zij, door instinct gedreven, achterna vlogen.

Nu had dit verhaal een heel gelukkig einde kunnen hebben, ware het niet dat de mens heel andere, zeg maar snode, plannen met de wilde eenden had.

Een woest, keffend hondje kwam geluidloos tussen de bomen vandaan en joeg de wilde eenden, verschrikt, tussen de door de mens geplaatste schermen in. Het slootje versmalde zich meer en meer, maar de wilde eenden hadden hier geen oog meer voor. De kooi klapte dicht!

Ons eendje verbaasde zich erover, dat haar nieuwe vriendjes zo snel weer verdwenen waren, keek naar de kant, waar de mens haar beloonde met wit, oudbakken brood.

Het behoeft geen betoog dat ons eendje nog lang en gelukkig overleefde.

Alkmaar/Castricum, 12-07-’94, 14.35 uur.

Maar is dit nu wel een verhaaltje voor bij het slapen gaan? Iets wat de pijp uitgaat, omdat dit niet alleen overeenkomt met dat gezegde?! Ik weet het niet direct.

Neen, dan liever een fragment uit het boek ‘De helaasheid der dingen’ , door Dimitri Verhulst. Alleen al gekocht om de titel…

‘Ik zal u eens tonen hoe ik tegenwoordig moet schijten!’ zei André tegen Sylvie in het bijzonder, en hij hief zijn slonzige hemd omhoog en toonde haar zijn harige buik vol littekens en knobbels. Zijn darmen zaten helemaal onder de kanker, en om zich te ontlasten beschikte hij over een schijtzak, waarmee hij enige tijd terug tot zijn grote verbazing op de operatietafel was ontwaakt. Hij moest nooit meer naar toilet, alles pruttelde gewoon in die zak die daar aan zijn bierbuik bengelde. ‘Kijk!’ En we keken. We keken hoe de stront in het zakje sijpelde. Gezapig, alsof die derrie ergens vanbinnen in een knijptube zat waar iemand nu zijn voet op zette. Natte, ongebonden stront met schuim erop. Alsof ze op de eerste rij zat bij de demonstratie van een wetenschappelijke proef keek mijn nicht geboeid naar de bruine drab in de schijtzak van André.

Het nummertje werd dan ook speciaal voor haar opgevoerd. Iedereen wist dat André het niet meer zou uitzingen tot het kermis was, en wij bewonderden het gemak waarmee hij zijn fluimen in het gezicht van de dood spuwde. Hij zou sterven in grandeur, nog tijdens zijn laatste reutel zou hij feesten. ‘Voilà,’ zei hij, ‘ik heb gedaan met schijten. Nu nog doorspoelen.’ hierop goot hij een pint bier ad fundum in zijn strot. ‘Je hebt er geen idee van hoeveel ik mij per maand uitspaar aan wc-papier.’ het was galgenhumor die Sylvie wist te smaken en waarvoor zij cash betaalde met een rij hier nog nooit geziene witte tanden.

‘Geef ons allemaal nog iets te drinken!’

Ik weet niet of dit wel zo gepast is. Maar ook daar dien ik, in mijn motto van deze week, schijt aan te hebben. Want ik blijf het beschouwen. En wat deze beschouwingen dan weer voor invloed hebben op de aankomende dagen…

  • Print
  • email
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Digg
  • Twitter
  • Hyves
  • Blogplay

Tags: ,

Dit bericht was geplaatst op woensdag, 28 juli 2010 om 00:33 en opgeslagen in Overigen. Je kunt reacties op deze vermelding volgen via RSS 2.0 feed. Je kunt een reactie achterlaten, of trackback vanaf je eigen site.

Laat een reactie achter